Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
12-576 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ZW: geschikt geacht voor arbeid. Het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest. Beide artsen hebben appellant gezien en gesproken en lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts heeft het standpunt ingenomen dat appellant in verband met zijn nekklachten geschikt te achten is voor zijn arbeid, dat lichamelijk licht werk betreft met mogelijkheid tot vertreding. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens de bevindingen van de verzekeringsarts bevestigd en daarbij aangegeven dat appellant er om moet denken dat hij regelmatig even gaat vertreden. Dat de pauzes niet genomen worden zegt meer iets over de instelling van appellant, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd die aanleiding zou kunnen vormen voor twijfel aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat appellant vanwege zijn nekklachten geschikt is voor zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/576 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 december 2011, 10/2094 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft L.M. Taal, werkzaam bij L.M. Taal Advies, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde Taal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen doordrs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was van 1 september 2009 tot 1 januari 2010 werkzaam als fulltime commercieel medewerker binnendienst bij [werkgever]. Op 12 april 2010 heeft hij zich vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld, aanvankelijk met spanningsklachten, later zijn daar nekklachten bijgekomen. Appellant is in dat verband op 26 mei 2010 en 13 september 2010 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, die appellant met ingang van 14 september 2010 geschikt heeft geacht voor zijn arbeid.

1.2. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 13 september 2010 vastgesteld dat appellant met ingang van

14 september 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in diens rapportage van 15 november 2010 - bij besluit van 16 november 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat appellant geschikt geacht moet worden voor de maatgevende arbeid op verantwoorde wijze tot stand gekomen is. Er is een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de aard en de ernst van de klachten van appellant. Ten aanzien van het door appellant in beroep overgelegde rapport van verzekeringsarts W.M. van der Boog heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant de bevindingen van Van der Boog op 25 januari 2011 niet heeft onderbouwd met informatie van de behandelende sector op de datum in geding van 14 september 2010. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen aanleiding om de conclusie van Van der Boog, dat appellant per 14 september 2010 ongeschikt is voor zijn maatgevende arbeid, te volgen.

3. In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar informatie van neuroloog

M.W.C. van den Broek van 31 augustus 2010 en van orthopedisch chirurg P.G. Lammers van 7 september 2011 aangevoerd dat hij na datum in geding van 14 september 2010 tot 1 juni 2011 vanwege nekklachten niet belastbaar is geweest om het maatgevende werk te verrichten. Een regelmatige herstelpauze is noodzakelijk, hij kan niet langer dan twee uur achter elkaar op een goede stoel zitten, daarna moet hij gaan liggen. Per 1 juni 2011 is hij met zijn beperkingen voor 24 uur per week in passend werk aan het re-integreren in de tandartsenpraktijk van zijn vader. Per 1 januari 2012 acht hij zich weer volledig geschikt voor het maatgevende werk.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van commercieel medewerker binnendienst.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken. Het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest. Beide artsen hebben appellant gezien en gesproken en lichamelijk onderzocht. Blijkens de rapportage van de verzekeringsarts van 13 september 2010 heeft appellant tijdens het spreekuur aangegeven dat er in augustus 2010 bij MRI-onderzoek een hernia op niveau C5-C6 is vastgesteld, maar dat het klachtenbeeld inmiddels opgeklaard zou zijn. Appellant ervaart nog wel problemen met lang achtereen zitten, hij kan twee uur achtereen zitten op een goede stoel, maar daarna moet hij beslist even bewegen. De verzekeringsarts heeft op basis hiervan het standpunt ingenomen dat appellant in verband met zijn nekklachten geschikt te achten is voor zijn arbeid, dat lichamelijk licht werk betreft met mogelijkheid tot vertreding. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens de bevindingen van de verzekeringsarts bevestigd en daarbij aangegeven dat appellant er om moet denken dat hij regelmatig even gaat vertreden. Dat de pauzes niet genomen worden zegt meer iets over de instelling van appellant, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd die aanleiding zou kunnen vormen voor twijfel aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat appellant vanwege zijn nekklachten geschikt is voor zijn arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit verband - in reactie op de door appellant overgelegde informatie van neuroloog Van den Broek en orthopedisch chirurg Lammers - in zijn rapportage van 24 april 2012 aangegeven dat deze een bevestiging vormt van de eerdere bevindingen van de verzekeringsartsen en dat deze als zodanig geen nieuwe medische gegevens oplevert met betrekking tot de datum in geding. Ten aanzien van de noodzaak om te gaan liggen na twee uur zitten heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat dit nergens uit eerdere gegevens blijkt, appellant kon met regelmatig vertreden als afwisseling van het zitten de klachten goed reguleren. De gedingstukken geven geen aanleiding voor twijfel aan dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans