Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
11-6158 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag oudersdomspensioen met terugwerkende kracht. Er is geen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW, nu de enkele omstandigheid dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij geen recht op AOW had niet als een bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat appellant aan het Bureau voor (woonland) Zaken te kennen heeft gegeven een aantal jaar in Nederland te hebben gewerkt is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat appellant daarmee tevens beoogde een Nederlands ouderdomspensioen aan te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6158 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 september 2011, 11/1894 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 7 september 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2012. Namens appellant is verschenen [S. ]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is geboren op [geboortedatum]. In september 2010 heeft hij bij het [[[woonland]] zusterorgaan van de Svb een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 3 december 2010 heeft de Svb de aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 1 maart 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard en is het besluit van 3 december 2010 herroepen. Appellant is met ingang van 1 september 2009 een ouderdomspensioen toegekend. Er is volgens de Svb geen sprake van een bijzonder geval zodat het pensioen niet met een langere terugwerkende kracht dan één jaar wordt toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW, nu de enkele omstandigheid dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij geen recht op AOW had niet als een bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij al in september 1992 een aanvraag om een Nederlands ouderdomspensioen heeft ingediend bij het Bureau voor [[[woonland]] Zaken te Breda, waar nooit een beslissing op is genomen. Hij verkeerde daarom in de veronderstelling dat hij geen recht had op een ouderdomspensioen. Met behulp van een sociale raadsman is de onderhavige aanvraag ingediend. Appellant stelt zich op het standpunt dat de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen op [datum], de datum waarop hij de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, dient te worden vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht heeft besloten de ingangsdatum van het aan appellant toegekende ouderdomspensioen vast te stellen op september 2009.

4.2. De Raad verenigt zich met de hierboven aangehaalde overweging van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. De in het hoger beroepschrift - en ter zitting nader toegelichte - stelling van appellant komt erop neer dat het Bureau voor [[[woonland]] Zaken de aanvraag om een (vervroegd) rustpensioen ingevolge de [[[woonland]] wetgeving van september 1992 tevens had moeten aanmerken als een aanvraag om toekenning van een Nederlands ouderdomspensioen. De Raad ziet in de beschikbare gegevens over die in september 1992 gedane aanvraag geen aanknopingspunten dat appellant daarmee tevens beoogde een Nederlands ouderdomspensioen aan te vragen, zodat het Bureau voor [[woonland]] Zaken deze aanvraag ook niet als zodanig ter verdere beoordeling naar de Svb had moeten doorzenden. De enkele omstandigheid dat appellant aan het Bureau voor [[woonland]] Zaken te kennen heeft gegeven een aantal jaar in Nederland te hebben gewerkt is onvoldoende om tot die conclusie te kunnen komen. Deze opgave van appellant was immers bedoeld om het recht op een [woonland] rustpensioen vast te kunnen stellen, welk pensioen kan ingaan vanaf de zestigjarige leeftijd van een rechthebbende. Verder wordt van belang geacht dat appellant eerst op [datum] de Nederlandse pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er worden geen termen aanwezig geacht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.

(getekend) H.J. Simon

(getekend) M.R. Schuurman