Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6952

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
11-4639 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WGA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen, zoals neergelegd in de FML, voor onjuist te houden.Uit de rapporten van de artsen van het Uwv blijkt dat alle uit onderzoek verkregen informatie door de artsen is meegewogen. De functies die aan de schatting ten grondslag liggen in medisch opzicht zijn voor appellant geschikt, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4639 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2011, 10/3777 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingebracht, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als procesoperator en ontvangt vanaf 1 november 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 23 oktober 2007 meldt hij zich vanuit de WW ziek met onder meer rug-, been- en hartklachten.

1.2. Op 17 juli 2009 heeft appellant een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 9 maart 2010 vastgesteld dat appellant met ingang van 20 oktober 2009 recht heeft op een vervolguitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA). Tegen het besluit van 9 maart 2010 heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.3. In de bezwaarprocedure is appellant onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts, die op 10 juni 2010 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 1 juli 2010 (bestreden besluit) het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat er aanleiding is de bij besluit van 9 maart 2010 vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 20 oktober 2009 te wijzigen van 35-45% naar minder dan 35%. Dit houdt volgens het Uwv in dat er feitelijk geen recht op een WGA-uitkering bestaat met ingang van 20 oktober 2009. Omdat niet ten nadele van appellant mag worden teruggekomen van het besluit van 9 maart 2010 heeft het Uwv besloten de WGA-uitkering na één dag en twee maanden vanaf de dagtekening van het bestreden besluit, te weten 2 september 2010, te beëindigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en bepaald dat het Uwv het betaalde griffierecht dient te vergoeden. Daartoe heeft zij overwogen dat het geschil zich beperkt tot de beëindiging van de uitkering per 2 september 2010. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts en is zij van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch, maar ook in andere opzichten, geschikt zijn voor appellant.

3. Appellant heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Appellant acht zich wegens zijn klachten niet in staat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 10 juni 2010, voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen naast hun eigen bevindingen uit de spreekuurcontacten, de beschikking over informatie van de behandelende sector, waaronder met name de brief van neurochirurg P.R. Schuurman van 25 juni 2009 en van cardioloog T.B. Tan van 23 december 2009. Uit de rapporten van de artsen van het Uwv blijkt dat alle uit onderzoek verkregen informatie door hen is meegewogen en bij de totstandkoming van de eerder genoemde FML heeft geleid tot het aannemen van beperkingen in verband met appellantes rugpijnklachten. De artsen hebben in de brief van cardioloog Tan geen aanleiding gezien om beperkingen in verband met appellantes hartklachten aan te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft ten aanzien van de hartklachten in het rapport van 10 juni 2010 opgemerkt dat appellant tijdens zijn spreekuur in dit opzicht geen duidelijke beperkingen heeft aangegeven. De in hoger beroep ingebrachte brief van huisarts A.J.P. Boeke van 12 juni 2012, waarin melding wordt gemaakt dat rond de datum in geding verschijnselen waren van pijn in de borststreek die gebaseerd waren op een tekort van zuurstof in de hartspier, heeft de bezwaarverzekeringsarts niet tot een ander oordeel gebracht. In het rapport van 19 juli 2012 is hierover geconcludeerd dat ten tijde van het spreekuur geen aanwijzingen waren om beperkingen aan te nemen en dat de hartklachten van appellant pas manifest zijn geworden na de datum in geding. De Raad ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie. In de brief van de huisarts wordt weliswaar melding gemaakt van hartklachten, maar de huisarts onthoudt zich van de vraag of deze klachten beperkingen tot het verrichten van arbeid opleveren.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de FML is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 24 juni 2010 voldoende toegelicht.

4.3. Uit het onder 4.1 en 4.2 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak derhalve dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.

(getekend) H.J. Simon.

(getekend) M.R. Schuurman.