Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
11-3780 WAO
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ1970
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Geen sprake van een toename van de arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na intrekking van de WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3780 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2011, 10/2890 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 september 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft zich nadien nog enige malen schriftelijk tot de Raad gewend en medische gegevens overgelegd.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 augustus 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

2.1. Bij besluit van 4 mei 2000 heeft het Uwv appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 5 november 2000 ingetrokken. Bij uitspraak 27 mei 2005, LJN AT6744, heeft de Raad het besluit van 4 mei 2000 tot intrekking van de WAO-uitkering per 5 november 2000 in stand gelaten.

2.2. Bij besluit van 3 november 2009 heeft het Uwv appellants verzoek van 9 oktober 2009 om het besluit van 4 mei 2000 te herzien afgewezen omdat niet gebleken was van nieuwe feiten of omstandigheden.

2.3.1. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van de bezwaargronden heeft het Uwv tevens beoordeeld of er reden is de WAO-uitkering te heropenen vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid in de periode tot aan vijf jaar na intrekking van de WAO-uitkering per 5 november 2000. Daartoe is er een medisch onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek waarbij de door appellant overgelegde medische gegevens zijn betrokken. De bezwaarverzekeringsarts komt in haar rapport van 16 maart 2010 tot de conclusie dat de overgelegde medische gegevens, die dateren uit de jaren 1993 tot en met 1995, niet zien op de datum van intrekking per 5 november 2000 noch op de periode na 2000 tot 2006. Uit de gegevens blijkt wel dat sprake is van een ziektebeeld dat wat betreft aard en ernst overeenkomt met het ziektebeeld in 1997 dan wel in 2000 dan wel in 2006. Op grond van deze medische gegevens kan niet worden opgemaakt dat er binnen vijf jaar na de intrekking van de WAO-uitkering per 5 november 2000, sprake is van een evidente wijziging van aard en ernst van het ziektebeeld van appellant.

2.3.2. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij brief van 18 maart 2010 meegedeeld dat hij voornemens is het besluit van 4 mei 2000 in die zin te herzien dat, naast dat er niet wordt teruggekomen op de intrekking van de WAO-uitkering per 5 november 2000, er geen sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na intrekking van de WAO-uitkering per 5 november 2000. Appellant heeft op dit voornemen gereageerd en heeft nadere medische stukken overgelegd.

2.3.3. Bezwaarverzekeringsarts Koek is in haar rapport van 10 mei 2010 ingegaan op de, in 2.3.2, nader door appellant overgelegde verklaringen van 5 februari 2003, 10 maart 2002, 14 mei 2004 en 15 april 2010 van zijn behandelend reumatoloog R. Adyel. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat de door de reumatoloog gestelde diagnose, chronische lumbo-ischialgie links, niet nieuw is en ook al in 1994, 1995 en 2000 wordt genoemd. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat in de verklaring van de reumatoloog niet wordt genoemd welke afwijkingen er, anders dan het in verleden, bij lichamelijk onderzoek aan de rug en benen gevonden zijn. De vanaf 1994 reeds beschreven lumbo-ischialgie, wordt ook in 2002 en de jaren daarna beschreven door reumatoloog Adyel. Tevens is niet gebleken van gewijzigde dan wel intensievere behandelingen. Uit de verklaring van 15 april 2010 van reumatoloog Adyel heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er geen motorische klachten met uitvalsverschijnselen zijn. Evenmin zijn motorische afwijkingen beschreven. Op grond van deze onderzoeksbevindingen heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn voor een wezenlijke verslechtering van het ziektebeeld binnen vijf jaar na datum van intrekking van de WAO-uitkering.

2.4. Bij besluit van 27 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 10 mei 2010, het bezwaar tegen het besluit van 3 december 2009 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Ten aanzien van appellants herzieningsverzoek heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die bij het nemen van het besluit van 4 mei 2000 niet bekend waren. Met betrekking tot appellants verzoek om hem met toepassing van artikel 43a, eerste lid, van de WAO wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid een WAO-uitkering toe te kennen, heeft de rechtbank - kort weergegeven - geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd en dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant niet toegenomen arbeidsongeschikt is binnen vijf jaar na 5 november 2000.

4. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij sinds dat zijn WAO-uitkering is ingetrokken nog volledig arbeidsongeschikt is en hierdoor niet kan werken. Zijn gezondheid is sindsdien alleen maar achteruit gegaan omdat zijn rugklachten erger zijn geworden. Door deze klachten heeft hij problemen met zitten, staan en lopen, maar ook met buigen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant reeds bekende verklaringen van reumatoloog Adyel overgelegd. Nieuw is dat eerst in hoger beroep ook een verklaring van de reumatoloog van 8 juni 2005 is overgelegd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Het besluit van 4 mei 2000, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 5 november 2000 is ingetrokken, is in rechte onaantastbaar geworden met de uitspraak van de Raad van 27 mei 2005.

5.2. Overeenkomstig het door de rechtbank met juistheid vermelde beoordelingskader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

5.3. De door appellant in hoger beroep ingezonden verklaring van 8 juni 2005 van reumatoloog Adyel dateert van ná het nemen van het bestreden besluit. Het Uwv heeft deze dus bij de heroverweging niet kunnen betrekken. Reeds om die reden moet volgens vaste rechtspraak deze verklaring, als het zoals ook in dit geval gaat om een verzoek om herziening van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, bij de beoordeling van het bestreden besluit buiten beschouwing blijven.

5.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de medische stukken die het Uwv vóór het nemen van het bestreden besluit ter beschikking zijn gekomen geen nieuwe feiten en omstandigheden in voormelde zin bevatten. Deze gegevens hebben deels geen betrekking op de datum van intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 5 november 2000 omdat zij al bekend waren of hadden bekend kunnen zijn, voordat het besluit van 4 mei 2000 was genomen. Deels hebben zij betrekking op na de intrekkingsdatum van de WAO-uitkering. Voor zover die gegevens nieuw zijn en daaruit af te leiden valt dat appellant toen evenals voor de intrekking ook rugklachten ondervond, leidt zulks niet tot een ander oordeel. Het besluit van 4 mei 2000 tot intrekking van de WAO-uitkering was immers mede gebaseerd op het standpunt dat appellant ondanks - onder meer - zijn rugklachten in staat moest worden geacht met aangepaste arbeid 85% of meer van zijn zogenoemde maatmanloon te verdienen.

5.5. Het Uwv was dan ook bevoegd het onderhavige verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 4 mei 2000. Niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5.6. Resteert de vraag of het Uwv terecht heeft aangenomen dat er na 5 november 2000 geen sprake was van toename van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Evenals de rechtbank ziet de Raad in de beschikbare medische gegevens geen redenen om te twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts Koek. In de rapporten van 16 maart 2010 en 10 mei 2010 is voldoende gemotiveerd dat de beperkingen van appellant als gevolg van zijn (rug)aandoening, welke beperkingen destijds hebben geleid tot toekenning van een WAO-uitkering en waarmee rekening is gehouden bij de intrekking van zijn WAO-uitkering, vanaf 5 november 2000 niet zijn toegenomen. Naar aanleiding van de eerst in hoger beroep overlegde verklaring van 8 juni 2005 van reumatoloog Adyel, heeft de bezwaarverzekeringsarts bij rapport van 16 mei 2012 aangegeven dat deze slechts een herhaling inhoudt van het bestaan van rugklachten. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in dit rapport nogmaals kort uiteengezet dat van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na intrekking van de WAO-uitkering per 5 november 2000 niet is gebleken.

5.7. De overwegingen 5.1 tot en met 5.6 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) L. van Eijndthoven