Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
11-2676 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning ouderdomspensioen op grond van de AOW: korting van 32% toegepast. Appellante heeft sinds 1966 geen arbeid in dienstbetrekking in Nederland verricht en woont al geruime tijd niet meer in Nederland. Uit de AOW volgt dat ieder persoon individueel verzekerd moet zijn geweest om aanspraak te kunnen maken op pensioen. Appellante behoort vanwege haar verhuizing niet meer tot de kring van verzekerden van artikel 6, eerste lid, onder a, van de AOW. Dat appellante in gemeenschap van goederen is gehuwd en dat de door haar echtgenoot tot 2007 betaalde premies in verband met zijn arbeid in loondienst in Nederland derhalve voor de helft door haar zijn afgedragen, is voor de opbouw van een AOW-pensioen niet van belang. Appellante kan immers enkel aanspraak maken op een AOW-pensioen als zij zélf verzekerd is geweest. Het feit dat appellante en haar echtgenoot fiscale partners zijn doet aan voorgaande niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2676 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2011, 10/5249 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 7 september 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [G. ]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 27 april 2010 heeft de Svb aan appellante met ingang van november 2010 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Daarbij is een korting toegepast van 32%. Appellante is sedert 1966 niet meer werkzaam geweest en zij is op 10 december 1993 verhuisd naar [woonland]. Gelet op het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de AOW, is appellante sedert laatstgenoemde datum niet meer verzekerd. Toepassing van artikel 13, eerste lid, onder a, van de AOW, leidt dan tot een korting van 32%.

2.1. In bezwaar is appellante opgekomen tegen de opgelegde korting. Zij heeft aangevoerd dat zij sedert 1984 is getrouwd in volledige gemeenschap van goederen. De inkomsten van haar en haar man zijn fiscaal altijd als één geheel gezien en daarover zijn de gezamenlijke sociale lasten geheven.

2.2. Bij besluit op bezwaar van 7 oktober 2010 is het bezwaar ongegrond verklaard. Opgemerkt wordt dat conform de hoofdregel van artikel 6 van de AOW appellante vanaf 10 december 1993 niet meer verzekerd is. Er is geen bijzondere bepaling van toepassing op grond van het Koninklijk Besluit en er is geen internationale regeling van toepassing. Tenslotte wordt opgemerkt dat appellante zich na haar vertrek uit Nederland ook niet vrijwillig heeft verzekerd.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen (waarbij appellante is aangeduid als eiseres en de Svb als verweerder):

“3.1. Niet in geschil is dat eiseres sinds 1966 geen arbeid in dienstbetrekking (in Nederland) heeft verricht en dat zij vanaf 10 december 1993 in [woonland] woont. Uit de AOW volgt dat ieder persoon individueel verzekerd moet zijn geweest om aanspraak te kunnen maken op pensioen. Eiseres behoort vanwege haar verhuizing naar [woonland] sinds 10 december 1993 niet meer tot de kring van verzekerden van artikel 6, eerste lid, onder a, van de AOW. Evenmin behoort zij sinds die datum tot de kring van artikel 6, eerste lid, onder b, van de AOW nu zij na 10 december 1993 geen arbeid in dienstbetrekking in Nederlands heeft verricht.

3.2. Dat eiseres in gemeenschap van goederen is gehuwd en dat de door haar echtgenoot tot 2007 betaalde premies in verband met zijn arbeid in loondienst in Nederland derhalve voor de helft door haar zijn afgedragen, is voor de opbouw van een AOW-pensioen niet van belang. Eiseres kan immers enkel aanspraak maken op een AOW-pensioen als zij zélf verzekerd is geweest. Ook het feit dat eiseres en haar echtgenoot fiscale partners zijn (geweest) doet hieraan niet af. Tot slot treft het beroep van eiseres op het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2010, LJN BM 6095, geen doel, nu daarin een civielrechtelijk kwestie aan de orde was en reeds daarom de daarin aan de orde zijnde casus niet vergelijkbaar is met het onderhavige geschil.

3.3. Nu uit het bovenstaande volgt dat eiseres sinds 10 december 1993 niet langer verzekerd is geweest voor de AOW, heeft verweerder terecht voor ieder kalenderjaar dat eiseres niet verzekerd is geweest een kortingspercentage van 2% toegepast op het AOW-pensioen van eiseres.”

4.1. In hoger beroep hebben partijen de in eerdere instanties voorgedragen standpunten in essentie herhaald.

4.2. Het geschil in hoger beroep ziet op de beantwoording van de vraag of de rechtbank met recht het bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2010 ongegrond heeft verklaard.

4.3. De Raad kan zich geheel vinden in de uitspraak van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen, die de Raad tot de zijne maakt. Hetgeen door appellante is aangevoerd in hoger beroep heeft de Raad niet kunnen brengen tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.

(getekend) H.J. Simon

(getekend) M.R. Schuurman