Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6870

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
11-1998 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buiten behandeling gelaten. Appellante heeft geen aanvraag ingediend. Zij heeft het aan haar op 22 januari 2010 verstrekte aanvraagformulier niet ingevuld en ingeleverd en ook anderszins geen aanvraag ingediend. Dit betekent dat het college, bij gebreke van een aanvraag om bijstand, niet bevoegd was toepassing te geven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1998 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 februari 2011, 10/3775 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 7 september 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2012. Appellante is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het college bij brief om een nadere reactie gevraagd. Het college heeft schriftelijk gereageerd, waarop ook van appellante een nadere reactie is ontvangen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens een nadere zitting achterwege gelaten, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft zich op 18 december 2009 tot het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vervoegd om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Op 22 januari 2010 heeft een medewerker van het Uwv een gesprek met appellante gehad. Deze medewerker heeft appellante een aanvraagformulier verstrekt en een brief meegegeven, waarin appellante wordt uitgenodigd voor een gesprek op 11 februari 2010 en wordt verzocht om een aantal gegevens mee te brengen, waaronder een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier en bankafschriften. In de brief is appellante onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) erop gewezen dat de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten indien zij geen gehoor geeft aan de uitnodiging en geen bericht van verhindering geeft. Appellante is, zonder bericht, niet op het gesprek verschenen en heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt.

1.2. Bij besluit van 11 februari 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 juni 2010 (bestreden besluit), heeft het college appellante onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Awb meegedeeld dat haar aanvraag niet in behandeling wordt genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 4:5 van de Awb.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 5 juni 2012, LJN BW8071) volgt uit artikel 43, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 4:1 van de Awb dat een aanvraag om bijstand schriftelijk moet worden gedaan.

4.2. Appellante heeft geen aanvraag ingediend. Zij heeft het aan haar op 22 januari 2010 verstrekte aanvraagformulier niet ingevuld en ingeleverd en ook anderszins geen aanvraag ingediend. Dit betekent dat het college, bij gebreke van een aanvraag om bijstand, niet bevoegd was toepassing te geven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb.

4.3. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het besluit van 11 februari 2010 met toepassing van artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb herroepen.

5. Ten slotte bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. De reiskosten in verband met het bijwonen van de zittingen in beroep en in hoger beroep worden begroot op € 38,12 (€ 11,38 in beroep en € 26,74 in hoger beroep). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 24 juni 2010;

- herroept het besluit van 11 februari 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 24 juni 2010;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 38,12;

- bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J.M. Tason Avila