Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6797

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
11-5403 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft reeds bij besluit van 7 juli 1998 mededeling gedaan omtrent de vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling van de WAO-uitkering. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. De rechtbank heeft de brieven die appellant vanaf 30 juni 2009 aan het Uwv heeft gezonden dan ook terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 7 juli 1998. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5403 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 8 augustus 2011, 11/20 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. van der Meer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2012. Namens appellant is mr. Van der Meer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur en uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, in dit geval het bestuur van GAK Nederland B.V.

1.2. Met ingang van 9 januari 1978 is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij besluit van 11 mei 1998 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat het dagloon zal worden verhoogd per 9 januari 1978 en dat hem een nabetaling zal worden gedaan. Bij brief van 14 mei 1998 heeft appellant verzocht om vergoeding van wettelijke rente over het na te betalen bedrag.

1.3. Bij besluit van 22 mei 1998 heeft het Uwv aan appellant mededeling gedaan omtrent de hoogte van het na te betalen bedrag aan uitkering over de periode van 9 januari 1987 tot 1 juni 1998. Verder is in dit besluit het volgende aangegeven: “De rente over de nabetaling kan door ons op dit moment niet worden vastgesteld. Na overleg met onze afdeling Bezwaar en Beroep zullen wij het bedrag aan rente zo spoedig mogelijk vaststellen.”

1.4. Op 7 juli 1998 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat geen wettelijke rente zal worden vergoed over de nabetaling van de WAO-uitkering. Bij besluit op bezwaar van 9 november 1998 heeft het Uwv dit standpunt gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit bij uitspraak van 7 september 2000 (98/1157) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bij uitspraak van de Raad van 23 januari 2003 (00/5145) bevestigd.

1.5. Appellant heeft vervolgens bij brieven van 30 juni 2009 en 10 september 2010 aan het Uwv gesteld dat is toegezegd dat de rente over de nabetaling zal worden vergoed en dat deze toezegging nagekomen moet worden.

2. Bij besluit van 1 november 2010 heeft het Uwv - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 januari 2003 - het standpunt ingenomen dat niet wordt teruggekomen van het besluit van 7 juli 1998. Bij besluit van 21 december 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2010 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv de brieven die appellant vanaf 30 juni 2009 aan het Uwv heeft gezonden, terecht heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 7 juli 1998. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 7 juli 1998 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeld. Dat de brief van 22 mei 1998 niet expliciet is genoemd in de uitspraak van de Raad van 23 januari 2003 rechtvaardigt niet de conclusie dat deze brief niet door de Raad is betrokken bij de beoordeling van het besluit van 7 juli 1998. Het Uwv was bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek van appellant af te wijzen en voor de motivering te volstaan met een verwijzing naar het besluit van 7 juli 1998. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat in het besluit van 22 mei 1998 geen beslissing over de rente is genomen of toegezegd is dat de rente vergoed zal worden.

4. In hoger beroep heeft appellant - evenals in beroep - aangevoerd dat er geen sprake is van een verzoek om terug te komen van het besluit van 7 juli 1998, maar van een verzoek om een besluit te nemen dat reeds is aangekondigd in het besluit van 22 mei 1998. Appellant is van mening dat het besluit van 22 mei 1998 onherroepelijk is geworden en dat het Uwv zich met dit besluit heeft verplicht tot vergoeding van rente. Volgens appellant is in het besluit van 22 mei 1998 aangekondigd dat er nog een nieuw besluit genomen zou worden, waarin de hoogte van de rente zou worden vastgesteld. Het Uwv had de brief van appellant van 30 juni 2009/10 september 2010 welwillend moeten lezen en moeten opvatten als de aanvraag om het besluit te nemen dat reeds is aangekondigd in het besluit van 22 mei 1998. Het Uwv moet het bedrag vaststellen dat appellant aan rente zal ontvangen, zoals toegezegd in het besluit van

22 mei 1998.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Er is geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het Uwv heeft reeds bij besluit van 7 juli 1998 mededeling gedaan omtrent de vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling van de WAO-uitkering. Dit besluit is met de uitspraak van de Raad van 23 januari 2003 in rechte onaantastbaar geworden. De rechtbank heeft de brieven die appellant vanaf 30 juni 2009 aan het Uwv heeft gezonden dan ook terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 7 juli 1998.

5.2. Ingevolge artikel 4:6 van de Awb mag van degene die van een bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een eerdere geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

5.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 7 juli 1998 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. De lezing die appellant geeft aan het besluit van 22 mei 1998 wordt in dit verband niet onderschreven.

5.4. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met het verwijzen naar het besluit van 7 juli 1998. Niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

6. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans

KR