Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
10/3939 WAO + 10/4317 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv met nadere arbeidskundige onderbouwing een gelijkluidend nader besluit genomen. Geen objectief-medische gegevens voor het standpunt dat beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Geschiktheid geduide functies. Uitgaan van juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens. Voldoende vaardigheden. In het midden wordt gelaten of de functie van bestucker, gelet op de astmatische klachten, geschikt is, nu de SBC-code waarvan de functie bestucker deel uitmaakt, ook de functie van monteur kent, welke functie op zich voldoende arbeidsplaatsen kent en een berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid met weglating van de functie bestucker niet tot een andere uitkomst leidt. Maatmaninkomen. Overgangsbepaling in Schattingsbesluit.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3939 WAO, 10/4317 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 mei 2010, 09/3779 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 7 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Hüsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een nader besluit op bezwaar, gedateerd 27 juli 2010, met onderliggende rapporten en stukken, ingezonden en een verweerschrift ingediend. Namens appellante is hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hüsen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee is besloten tot heropening van het onderzoek.

De Raad heeft vragen aan het Uwv gesteld.

Namens appellante is een aanvulling verstrekt op de gronden van het hoger beroep.

Het Uwv heeft de door de Raad gestelde vragen beantwoord.

Namens appellante is hierop gereageerd en zijn nadere stukken in het geding gebracht. Desgevraagd heeft het Uwv hierop gereageerd.

Namens appellante is andermaal een reactie ingezonden, waarop door het Uwv is gereageerd.

Namens appellante zijn de gronden van het hoger beroep nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2012, waar wederom appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hüsen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan een eerdere tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 9 juli 2010, LJN BN0916, ontleent de Raad de volgende weergave van de ook voor het onderhavige geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

“Appellante was werkzaam als magazijnmedewerkster toen zij zich met ingang van 8 januari 1991 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van fysieke en psychische klachten. In aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd werden perioden, waarin zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving, afgewisseld met perioden zonder die uitkering. Vervolgens is aan appellante met ingang van 25 februari 1997 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is bij besluit van 18 januari 2002 met ingang van 25 februari 2002 ongewijzigd voortgezet.”

1.2. Vervolgens is de WAO-uitkering van appellante bij besluit van 11 augustus 2008, dat in bezwaar werd gehandhaafd bij besluit van 25 maart 2009, met ingang van 12 oktober 2008 ingetrokken op de grond dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van de rechtbank van 17 november 2009, welke uitspraak in hoger beroep is bevestigd bij de in overweging 1.1 vermelde uitspraak van de Raad.

1.3. Per 2 december 2008 heeft appellante zich ziek gemeld wegens psychische en lichamelijke klachten.

1.4. Verzekeringsarts C. Westerbeek heeft appellante onderzocht en is daarbij, als vermeld in haar rapport van 29 juni 2009, tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van appellante sprake is van toegenomen beperkingen op psychisch gebied. De toename van beperkingen komt volgens Westerbeek in overwegende mate voort uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor eerder door appellante uitkering werd ontvangen.

1.5. Arbeidsdeskundige M.E. Poortvliet heeft functies geselecteerd waarmee appellante, gegeven de voor haar vastgestelde belastbaarheid, zijns inziens nog een zodanig loon kan verdienen dat in vergelijking met het maatgevende inkomen geen sprake is van verlies van verdiencapaciteit.

2.1. Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het Uwv geweigerd om appellante, in aansluiting op de op 29 december 2008 geëindigde wettelijke wachttijd van vier weken, met ingang van 30 december 2008, in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering.

2.2. In bezwaar heeft appellante zich gekeerd tegen de arbeidskundige grondslag van het besluit van 20 juli 2009.

2.3. Bezwaararbeidsdeskundige P.J. Schaap heeft een van de door Poortvliet geselecteerde functies laten vervallen. Hij heeft de geduide functies 267050 (bestucker en monteur), 111220 (medewerker logistiek), 111080 (medewerkster ontbijtdienst) en 111180 (productiemedewerker bedrading) gehandhaafd en geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% blijft.

2.4. Bij besluit van 29 september 2009 (hierna bestreden besluit 1) is, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 20 juli 2009 ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft, na te hebben vastgesteld dat appellante in beroep ook gronden tegen de medische grondslag van bestreden besluit 1 heeft aangevoerd, overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Naast het verrichten van eigen lichamelijk en psychisch onderzoek, is door de verzekeringsarts informatie van de behandelend sociaal psychiatrisch verpleegkundige in de beoordeling betrokken. Hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven de medische grondslag van bestreden besluit 1 voor onjuist te houden. De rechtbank heeft van belang geacht dat de verzekeringsarts heeft aangenomen dat appellante pijnklachten en psychische klachten heeft en dat met het oog daarop beperkingen in de functionele mogelijkheden lijst (FML) zijn opgenomen. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat bij haar op 29 (lees: 30) december 2008 sprake was van een andere medische situatie dan waarvan de verzekeringsarts is uitgegaan, aldus de rechtbank.

3.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1, heeft de rechtbank overwogen dat appellante terecht geschikt is geacht voor de functies bestucker, monteur en medewerker logistiek en medewerkster ontbijtdienst. Evenwel heeft de rechtbank zich niet kunnen verenigen met de functie productiemedewerker bedrading. In verband met de vrijkomende soldeerdampen en de afwezigheid van afzuiging, kan appellante volgens de rechtbank niet in staat worden geacht deze functie te vervullen.

3.3. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het bewaar te beslissen. Tevens heeft zij beslissingen gegeven over vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten. Ten slotte heeft zij het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

4.1. Het Uwv heeft in de uitspraak van de rechtbank berust.

4.2. Bezwaararbeidsdeskundige Schaap heeft nader onderzoek ingesteld. Uit zijn rapporten van 3 augustus 2009 en 22 juli 2010 komt naar voren dat Schaap aanleiding heeft gevonden het maatmanloon te herberekenen. Daarbij is hij uitgekomen op een bedrag van € 9,59 per uur, in plaats van het tot dan toe gehanteerde bedrag van € 9,79 per uur. Verder heeft hij bij nadere raadpleging van het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) vastgesteld dat de functie medewerkster ontbijtdienst ten tijde hier van belang ook voorkomt in een omvang van 32 uur per week, en heeft hij deze functie geselecteerd als onderdeel van de schattingsgrondslag. Schaap heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met inachtneming van deze beide correcties ongewijzigd uitkomt op minder dan 15%.

4.3. Met overneming van de conclusies van Schaap heeft het Uwv bij het in rubriek I van deze uitspraak vermelde besluit van 27 juli 2010 (bestreden besluit 2), genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, het bezwaar van appellante andermaal ongegrond verklaard.

5.1. Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de functie medewerkster ontbijtdienst passend heeft geacht. Gesteld wordt dat voor die functie een dienstverlenende houding is vereist, aan welk vereiste zij gelet op haar psychische beperkingen niet kan voldoen. Ook acht appellante zich niet in staat eventuele conflicten te hanteren die zich volgens haar kunnen voordoen bij de uitoefening van deze functie. In de FML, die aldus volgens appellante ten onrechte door de rechtbank juist is bevonden, komt naar de opvatting van appellante ten onrechte niet tot uitdrukking dat haar draagkracht beperkt is en dat zij niet in staat is tot conflicthantering.

5.2. Voorts heeft appellante er bezwaar tegen gemaakt dat de bezwaararbeidsdeskundige, in het kader van zijn advisering ter voorbereiding van het uitvoeringsbesluit van 27 juli 2010, de functie medewerkster ontbijtdienst thans in een omvang van 32 uur per week heeft geselecteerd, terwijl tot dan toe was uitgegaan van een tweetal functies in de SBC-code 111080 met een, voor de toepassing van de reductiefactor bepalende, arbeidsomvang van ten hoogste 20 uur per week. Appellante betwijfelt of de functie ten tijde in geding daadwerkelijk in een omvang van 32 uur beschikbaar was. Als dat namelijk inderdaad het geval was, valt volgens appellante niet in te zien dat de functie niet van meet af aan in laatstgenoemde omvang aan de schatting ten grondslag is gelegd.

5.3. Ten slotte maakt appellante bezwaar tegen het herberekende maatmaninkomen. Appellante wijst in dit verband op een arbeidskundig rapport van 13 juli 1994, waarin het maatmaninkomen destijds is berekend op een bedrag van fl. 16,06 per uur, wat omgerekend uitkomt op een bedrag van € 7,27 per uur. Appellante betwijfelt daarom of het door de bezwaararbeidsdeskundige bij de (her)berekening - aan de hand van actualisering en indexering naar de datum in geding - van het maatmaninkomen tot uitgangspunt genomen bedrag van € 6,26 per uur wel juist kan worden geacht.

6.1. De Raad stelt vast dat met bestreden besluit 2 niet is tegemoet gekomen aan het beroep van appellante, zodat dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding dient te worden betrokken.

6.2. De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij appellante niet kan volgen in haar opvatting dat zij niet in staat is werkzaam te zijn in de functie van medewerkster ontbijtdienst.

6.3. Voor zover appellante, gelet op haar brief van 16 januari 2012, haar opvatting mede doet steunen op het standpunt dat haar beperkingen niet juist zijn vastgesteld, overweegt de Raad dat er geen objectief-medische gegevens voorliggen die appellante in dat standpunt steunen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts voldoende diepgaand en ook anderszins als voldoende zorgvuldig kan worden aangemerkt. Op basis van dat onderzoek, waarbij ook informatie vanuit de behandelend sector is betrokken, is in verband met de psychische problematiek van appellante een aanzienlijk aantal beperkingen opgenomen in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren). Aan de Raad is op grond van het geheel van de beschikbare medische gegevens niet kunnen blijken van aanknopingspunten om die beperkingen ontoereikend te achten.

6.4. Voorts moet worden geconstateerd dat appellante, anders dan zij doet stellen, blijkens de aan de schatting ten grondslag gelegde FML, ook beperkt is geacht op het aspect conflicthantering, aldus dat zij een conflict met agressieve of onredelijke mensen uitsluitend in telefonisch of schriftelijk contact kan hanteren. De Raad is van oordeel dat van de zijde van het Uwv, in de verschillende arbeidskundige rapporten, waarvan onder meer het rapport van Schaap van 29 maart 2010, genoegzaam is uiteengezet dat in de functie medewerkster ontbijtdienst geen belasting ten gevolge van conflicthantering voorkomt. Ook is erop gewezen dat appellante door de verzekeringsarts niet beperkt is geacht in klantcontacten. Naar het oordeel van de Raad is daarmee genoegzaam onderbouwd dat deze functie geacht moet worden binnen het bereik van appellante te liggen.

6.5. Evenmin slaagt de grief van appellante inzake de omvang waarin de functie medewerkster ontbijtdienst op de datum in geding in het CBBS-systeem voorkomt. De Raad heeft in vaste rechtspraak - de Raad wijst onder meer op zijn uitspraak van 8 augustus 2006, LJN AY6390 - blijk gegeven van het oordeel dat in beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens. Daarbij geldt dat een uitzondering op die regel aangewezen kan zijn indien een betrokkene erin slaagt om de juistheid van deze gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd te bestrijden. De Raad stelt vast dat van een dergelijke gemotiveerde bestrijding in het onderhavige geval geen sprake is. Appellante heeft volstaan met het uitspreken van twijfel, welke twijfel kennelijk is ingegeven door niet meer dan de constatering dat de functie in een eerdere fase van de onderhavige besluitvorming in een andere omvang was geselecteerd. Wat betreft deze wijze van selectie van functies merkt de Raad op dat deze werkwijze op zichzelf - naar hem ook uit andere zaken bekend is - niet ongebruikelijk is. Appellante heeft voorts geen gegevens aangedragen die op enigerlei wijze kunnen dienen ter onderbouwing van haar twijfel.

6.6.1. Namens appellante zijn ook gronden aangevoerd tegen de bij de schatting gebruikte functie van bestucker. Deze komen erop neer dat in deze functie soldeerdampen vrijkomen, terwijl uit de CBBS-gegevens niet naar voren komt dat ten tijde in geding in die functie voorzien was in afzuiging van die dampen. In verband hiermee acht appellante deze functie medisch niet passend, gelijk de door de rechtbank om diezelfde reden, gelet op haar astmatische klachten, buiten aanmerking gelaten functie van productiemedewerker bedrading.

6.6.2. De Raad laat in het midden wat er zij van dit bezwaar, nu de SBC-code 267050 waarvan de functie bestucker deel uitmaakt, ook de functie van monteur kent, welke functie op zich voldoende arbeidsplaatsen kent en een berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid met weglating van de functie bestucker niet tot een andere uitkomst leidt. Van de zijde van appellante wordt niet bestreden dat in de functie van monteur ten tijde van belang wel was voorzien in afzuiging van soldeerdampen. Ook voor het overige is niet kunnen blijken van aanknopingspunten om deze functie niet medisch passend te achten voor appellante. Ten slotte acht de Raad de door appellante uitgesproken twijfel of zij wel beschikt over de voor de functie van monteur vereiste vaardigheden, onvoldoende om die functie niet als geschikt te aanvaarden, bij het ontbreken van enige onderbouwing voor die twijfel. De Raad heeft hierbij mede acht geslagen op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 juni 2012, waarin wordt uiteengezet dat en waarom appellante geacht kan worden wel te beschikken over de voor de functie van monteur vereiste vaardigheden, welke uiteenzetting door appellante niet (onderbouwd) is bestreden.

6.7.1. Ook heeft appellante zich gekeerd tegen het bij de schatting in aanmerking genomen maatmaninkomen. Naar de mening van appellante heeft het Uwv bij de berekening van haar maatmaninkomen ten onrechte niet tot uitgangspunt genomen het door de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 13 juli 1994 genoemde bedrag van fl. 16,06 (€ 7,29) per uur, waarbij zij aangetekend dat een daarop gebaseerde berekening van de mate van haar arbeidsongeschiktheid per de in geding zijnde datum, naar tussen partijen niet in geschil is, (net) zou uitkomen in de klasse 15 tot 25%. Volgens appellante is niet helder waarom deze berekening uit 1994 niet juist zou zijn.

6.7.2. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Ingevolge de in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten neergelegde overgangsbepaling maatmaninkomen (artikel 12) wordt, indien de mate van arbeidsongeschiktheid voor de eerste maal is vastgesteld op een datum gelegen vóór 10 augustus 1994, bij een hernieuwde vaststelling of een herziening van de uitkering na laatstgenoemde datum, geen rekening gehouden met de sedert de laatste vaststelling of herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen.

6.7.3. Het arbeidskundig rapport van 13 juli 1994 is opgesteld ter voorbereiding van een besluit van 27 juli 1994, waarbij de tot dan toe naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende WAO-uitkering van appellante, is ingetrokken met ingang van 20 september 1994, op de grond dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante per laatstgenoemde datum is afgenomen naar minder dan 15.

6.7.4. Het besluit van 27 juli 1994 kan, hetgeen ook, gelet op zijn brief van 25 januari 2012, uiteindelijk het standpunt van het Uwv is, niet gelden als een besluit waarbij in de zin van de in overweging 6.7.2 vermelde overgangsbepaling, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante laatstelijk voorafgaande aan 10 augustus 1994 is vastgesteld, aangezien bij dat besluit de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, zoals vermeld onder 6.7.3, is vastgesteld per 20 september 1994, derhalve per een na 10 augustus 1994 gelegen datum. Anders dan appellante meent, is niet de datum waarop het besluit is genomen bepalend te achten, maar dient doorslaggevend te zijn de datum waarop de besluitvorming zich richt. Het bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen toepasselijke wettelijke regiem wordt immers naar vaste rechtsraak als regel bepaald door de datum waarop de schatting betrekking heeft en niet door de datum waarop het betreffende besluit is genomen of gedagtekend. De Raad heeft geen aanknopingspunten om bij toepassing van de in overweging 6.7.2 weergegeven overgangsbepaling niet ook deze regel te hanteren. De Raad wijst in dit verband nog op zijn uitspraak van 22 oktober 1997, LJN ZB7268, RSV 1998/48, waarin, in lijn met evenvermelde regel, in het daar berechte geval 6 januari 1994, de datum met ingang waarvan de WAO-uitkering van de betrokken verzekerde was herzien, is aangemerkt als laatste datum voor de inwerkingtreding van het Schattingsbesluit op 10 augustus 1994 waarop vaststelling en herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid plaatsvond. Een herziening als in die uitspraak bedoeld vond in het onderhavige geval plaats bij besluit van 26 oktober 1993 met ingang van 26 november 1993.

6.7.5. De Raad overweegt in dit verband ten slotte dat geen aanleiding bestaat - door appellante wordt dit, afgezien van haar onder overweging 6.7.1 weergegeven bezwaar, overigens ook niet gesteld - om de berekening van het maatmaninkomen op € 9,54 per uur, zoals door de bezwaararbeidsdeskundige uiteindelijk is uitgewerkt in het rapport van 6 januari 2012, naar methode of resultaat niet voor juist te houden. Tussen partijen is niet in geschil dat een berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 30 december 2008, uitgaande van het laatstgenoemde maatmanuurloon, uitkomt beneden de 15%.

6.8. Uit het overwogene onder 6.1 tot en met 6.7.5 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd en dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

6.9. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) G.J. van Gendt

EK