Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6744

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
10-09-2012
Zaaknummer
10-4042 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de overgelegde stukken kan niet worden geconcludeerd dat de huurachterstand en de in verband daarmee gemaakte proces- en incassokosten een rechtstreeks gevolg zijn van de aanvankelijke weigering van het college om aan appellant bijstand toe te kennen. Geen proceskostenveroordeling in beroep: Appellant heeft in zijn beroepschrift niet verzocht om een proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4042 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2010, 10/330 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A.] te [B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 4 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft dr. mr. E. Tahitu, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft, op verzoek van de Raad, nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 27 oktober 2009 gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Het college heeft bij besluit van 4 december 2009 deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet naar behoren heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 20 januari 2010 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2009 ongegrond verklaard.

1.2. Bij besluit van 1 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 20 januari 2010 herzien en is het bezwaar van appellant gegrond verklaard. Hieraan heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat de oorzaak van de schending van de medewerkingsverplichting, waardoor het huisbezoek geen doorgang kon vinden, niet alleen bij appellant kan worden gelegd. Aan appellant is alsnog bijstand toegekend over de periode van 27 oktober 2009 tot en met 7 december 2009. Aan appellant was inmiddels bij afzonderlijk besluit met ingang van 8 december 2009 bijstand toegekend.

2. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft appellant het beroep tegen de aanvankelijke weigering van het college om hem bijstand toe te kennen ingetrokken, aangezien hem bij het bestreden besluit alsnog bijstand was toegekend. Appellant heeft meegedeeld wel een uitspraak van de rechtbank te wensen over de door hem geleden gevolgschade. Appellant stelt in dit kader dat hij door de vertraagde uitbetaling van de bijstand in huurbetalingsproblemen is gekomen en kosten heeft gemaakt. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant stelt dat de rechtbank ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat de niet tijdige uitbetaling van de bijstand niet in verband staat met de huurachterstand en de daaruit voortvloeiende proces- en incassokosten. Volgens appellant zijn de problemen met betrekking tot de betaling van de huurpenningen ontstaan door de aanvankelijke weigering van het college om bijstand toe te kennen.

4.2. Anders dan appellant, en met de rechtbank, is de Raad van oordeel dat uit de overgelegde stukken niet kan worden geconcludeerd dat de huurachterstand en de in verband daarmee gemaakte proces- en incassokosten een rechtstreeks gevolg zijn van de aanvankelijke weigering van het college om aan appellant bijstand toe te kennen. Zo blijkt uit de dagvaarding van 19 januari 2010, waarin appellant is gedagvaard door de verhuurder, [naam verhuurder], waarbij onder meer ontbinding van de huurovereenkomst is gevorderd, dat appellant al vanaf maart 2009 op onregelmatige tijdstippen en rechtstreeks aan het kantoor van de deurwaarder betalingen heeft gedaan die in mindering werden gebracht op de vorderingen uit huurachterstand. Appellant kampte derhalve reeds met huurbetalingsproblemen ruim voordat het college had geweigerd hem bijstand toe te kennen. Appellant kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat er sprake is van een causaal verband tussen de aanvankelijk afwijzende beslissing op de aanvraag om bijstand en de ontstane huurproblemen van appellant en de in verband daarmee gemaakte proces- en incassokosten.

4.3. Appellant stelt voorts dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat hij bij de intrekking van het beroep geen verzoek heeft gedaan om een proceskostenvergoeding.

4.4. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

4.5. Appellant heeft in zijn beroepschrift niet verzocht om een proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt evenmin van een verzoek van appellant om het college in de kosten te veroordelen. De rechtbank heeft gelet hierop terecht geen kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb uitgesproken.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD