Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6694

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
10-6605 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor orthodontiekosten ten behoeve van haar minderjarige zoon. Voorliggende voorziening. In de regelgeving is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van kosten van orthodontische behandelingen, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening voor deze kosten niet aan de orde is. Hierbij doet niet ter zake dat appellante geen aanspraak kan maken op vergoeding van deze kosten omdat zij ten gevolge van premieachterstand niet meer aanvullend verzekerd is voor onder meer tandartskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6605 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 oktober 2010, 10/566 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak 4 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, destijds advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 24 juli 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 8 oktober 2008 bijzondere bijstand aangevraagd voor orthodontiekosten tot een bedrag van € 118,20 ten behoeve van haar minderjarige zoon.

1.2. Bij besluit van 13 oktober 2008 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand van appellante voor 75% van de orthodontiekosten afgewezen. Voor de overige 25% van deze kosten is bijzondere bijstand verleend.

1.3. Bij besluit van 16 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 13 oktober 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), zodat appellante geen recht heeft op bijzondere bijstand en dat er daarnaast geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de gevraagde kosten kunnen worden vergoed.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

3.2. Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB strekt het recht op bijstand zich niet uit tot de kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten, kan het bijstandverlenend orgaan daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen.

3.3. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (CRvB 17 november 2009, LJN BK4230), dient voor de kosten van een tandheelkundige behandeling sinds 1 januari 2006 de Zorgverzekeringswet, mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB te worden beschouwd. Voorts gaat de Raad, gelet op de toelichting bij artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, ervan uit dat in deze regelgeving een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van kosten van orthodontische behandelingen, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening voor deze kosten niet aan de orde is. Dit brengt met zich dat artikel 15, eerste lid, van de WWB aan de toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg staat. Hierbij doet niet ter zake dat appellante geen aanspraak kan maken op vergoeding van deze kosten omdat zij ten gevolge van premieachterstand niet meer aanvullend verzekerd is voor onder meer tandartskosten.

3.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) J. de Jong

HD