Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6690

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
11-114 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Appellant heeft niet aan het college doorgegeven dat hij tijdelijk op een ander adres verbleef. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat was door te geven dat, en waar, hij tijdelijk elders verbleef en/of om een toereikende voorziening voor zijn post te treffen, faalt zijn betoog dat het hem niet kan worden verweten dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de oproepen voor gesprekken. (zie ook BX6677)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/114 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2010, 10/3615 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 4 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.N. Pattynama, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 10/5696 WWB, plaatsgevonden op 24 juli 2012. Voor appellant is verschenen mr. Pattynama. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 17 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 mei 2010, heeft het college de bijstand die appellant ontving ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 10 maart 2010 ingetrokken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB. Bij uitspraak van 5 oktober 2010 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 mei 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellant zijn recht op bijstand ingevolge de WWB heeft behouden naar de voor hem toepasselijke norm. Bij uitspraak van heden, registratienummer 10/5696 WWB, heeft de Raad de uitspraak van 5 oktober 2010 vernietigd en het beroep tegen het besluit van 6 mei 2010 ongegrond verklaard.

1.2. Appellant heeft op 29 maart 2010 een aanvraag gedaan om bijstand voor de kosten van levensonderhoud. Daarbij heeft hij als woonadres [adres 1] te [woonplaats] opgegeven (opgegeven adres).

1.3. Omdat er twijfels bestonden over de woon- en leefsituatie van appellant heeft een handhavingspecialist van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) op 13 april 2010 omstreeks 10.00 uur een bezoek afgelegd aan het opgegeven adres. Daarbij is appellant niet thuis aangetroffen, waarna een schriftelijke oproep in de brievenbus is achtergelaten om op woensdag 14 april 2010 om 10.00 uur bij de DWI te verschijnen. Aan deze oproep heeft appellant geen gevolg gegeven. Bij besluit van 14 april 2010 is de aanvraag van appellant opgeschort en is appellant opgeroepen om zich op 16 april 2010 om 10.30 uur bij de DWI te melden. Deze brief is op 14 april 2010 omstreeks 10.30 uur in de brievenbus van appellant gedeponeerd. Aan deze oproep heeft appellant eveneens geen gehoor gegeven. Vervolgens is op 16 april 2010 een rapport van bevindingen opgemaakt door de handhavingsspecialist van de DWI.

1.4. Bij besluit van 16 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 juni 2010 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB heeft geschonden door zonder bericht niet te verschijnen op de oproepen van de DWI, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de oproepen van de DWI om op 14 april 2010 en 16 april 2010 te verschijnen teneinde informatie te verstrekken over zijn woon- en leefsituatie. Appellant heeft, kort samengevat, betoogd dat het hem niet kan worden verweten dat hij geen gehoor heeft gegeven aan deze oproepen.

4.2. Appellant stelt dat hij niet tijdig kon reageren op de oproepen vanwege de onevenredig korte termijnen die het college daarbij hanteert. Appellant wordt niet gevolgd in deze stelling. Gelet op de termijnen van ongeveer 24 uur, respectievelijk 48 uur die de DWI bij de oproepen van appellant heeft gehanteerd, mocht het college er vanuit gaan dat deze uitnodigingen appellant zo tijdig zou bereiken dat hij aan de uitnodiging gevolg kon geven of tijdig om uitstel kon verzoeken.

4.3. Appellant heeft niet aan het college doorgegeven dat hij tijdelijk op een ander adres verbleef. Dit blijkt in ieder geval niet uit de enkele mededeling in een ongedateerde verklaring bij de bijstandsaanvraag dat appellant tijdelijk bij zijn broertje slaapt. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij een toereikende voorziening voor zijn post heeft getroffen in de periode dat hij niet op het opgegeven adres aanwezig was. In de toelichting bij de bijstandsaanvraag heeft appellant daarover slechts vermeld: “Mijn broertje doet alles over post regelen”, maar daaruit valt niet af te leiden dat sprake was van een toereikende postvoorziening. Appellant heeft ook niet kenbaar gemaakt dat post van het college/de DWI tijdelijk naar een ander, concreet te benoemen, adres moest worden gestuurd. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat appellant had kunnen - en ook moeten - weten dat de DWI hem naar aanleiding van zijn aanvraag zou oproepen om nadere inlichtingen te verstrekken en daarbij korte termijnen zou hanteren. Immers, al eerder had appellant geen gehoor gegeven aan oproepen voor gesprekken over zijn woon- en leefsituatie te verstrekken, wat heeft geleid tot de in 1.1 vermelde intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 10 maart 2010, en ook bij die oproepen had het college korte termijnen gehanteerd. Nu appellant voorts niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat was door te geven dat, en waar, hij tijdelijk elders verbleef en/of om een toereikende voorziening voor zijn post te treffen, faalt zijn betoog dat het hem niet kan worden verweten dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de oproepen voor gesprekken op 14 en 16 april 2010.

4.4. Uit 4.2 en 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een vergoeding in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) J. de Jong

HD