Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6669

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
10-4796 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking bijstand. Op geld waardeerbare activiteiten in pizzeria verricht waarvan geen melding is gemaakt. Schending inlichtingenverplichting. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat het recht op bijstand wel is vast te stellen. Uitgegaan kan worden van de aanwezigheid van appellant in de pizzeria op vier dagen in de week gedurende drieëneenhalf uur per dag. Nu appellant eerder al geruime tijd in loondienst is geweest bij de pizzeria, kan wat betreft de inkomsten aansluiting worden gezocht bij het loon dat appellant destijds bij de pizzeria heeft verdiend, geïndexeerd naar de in geding zijn periode. 2) Blokkering uitbetaling bijstand. Gegrond vermoeden dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Dat levert voldoende grond op om, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, de uitbetaling van de bijstand te blokkeren.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17.1
Wet werk en bijstand 54.3a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/262
JWWB 2012/173
USZ 2012/284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4796 WWB, 10/4797 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2010, 10/1054 en 10/1056 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 4 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Beekelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2012. Namens appellant is

mr. Beekelaar verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Saygi.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 26 februari 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.2. Naar aanleiding van een melding van een klantmanager van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) dat appellant in juli 2009 werkend is aangetroffen in een pizzeria op het adres [adres] te [vestigingsplaats], is door de DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben twee handhavingspecialisten van de DWI op 19 oktober 2009 in de pizzeria waarnemingen gedaan. Appellant is op 16 november 2009 door de handhavingspecialisten gehoord. Hij heeft verklaard dat hij twee dagen per week in de pizzeria is, dat hij meestal om 18.30 uur begint en dat hij meestal om 19.45 uur weer weg gaat. Als hij in de keuken helpt, dan zet hij thee en maakt hij patat, pizza’s, shoarma en zijn eigen eten klaar. Appellant heeft deze verklaring op 17 november 2009 in een telefonisch onderhoud met een van de handhavingspecialisten aangepast en verklaard dat hij bijna elke dag, tussen 16.00 uur en 16.30 uur, naar de pizzeria komt en dat hij meestal rond 19.45 uur weer naar huis gaat. Naar aanleiding hiervan heeft vorenbedoelde handhavingspecialist op 19 november 2009 opnieuw met appellant gesproken. Appellant heeft toen verklaard dat hij sinds zijn scheiding op 25 augustus 2008 soms drie á vier keer in de week in de pizzeria komt en dat hij daar dan ook helpt. Voorts heeft appellant bevestigd dat de op 17 november 2009 doorgegeven telefonische aanpassingen correct door de handhavingspecialist zijn opgeschreven. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 november 2009.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om de uitbetaling van bijstand met ingang van 1 november 2009 te blokkeren. Voorts heeft het college bij besluit van 30 november 2009 de bijstand van appellant met ingang van 25 augustus 2008 ingetrokken.

1.4. Bij besluit van 26 januari 2010 (bestreden besluit A) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het nalaten uitvoering te geven aan het toekenningsbesluit op grond van de WWB door de uitbetaling van de bijstand met ingang van 1 november 2009 te blokkeren, ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 26 januari 2010 (bestreden besluit B) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 november 2009 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellant sinds zijn scheiding op 25 augustus 2008 op geld waardeerbare activiteiten in de pizzeria heeft verricht waarvan hij aan het college geen melding heeft gemaakt. Daardoor heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het college het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen, mede omdat appellant geen gegevens heeft verstrekt over zijn inkomsten en geen administratie heeft overgelegd van de gewerkte uren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit A niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit B ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen (commerciële) werkzaamheden heeft verricht en dat de uitkomsten van het door het college ingestelde onderzoek onvoldoende zijn om tot intrekking van de bijstand over te gaan. Voor zover er voor het college redenen bestonden om tot intrekking over te gaan, meent appellant dat gelet op de bescheiden omvang van de uren dat appellant in de pizzeria aanwezig was, er voor het college geen reden bestond om tot integrale intrekking van de bijstand over te gaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

intrekking

4.1. Het college heeft bij besluit van 30 november 2009 de intrekking van de bijstand niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Beoordeeld dient te worden de periode van 25 augustus 2008 tot en met 30 november 2009.

4.2. De Raad is met de rechtbank, en anders dan appellant, van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de DWI een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van het college dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn activiteiten in de pizzeria. De door appellant in zijn verklaringen genoemde activiteiten als thee zetten, patat, shoarma en pizza’s maken zijn door de rechtbank terecht aangemerkt als productieve arbeid die in het maatschappelijke verkeer een economisch waarde vertegenwoordigt. Bovendien is door de handhavingspecialisten op 19 oktober 2009 waargenomen dat appellant de bestelling opnam, afrekende, de bestelde maaltijd maakte en uitserveerde. Voorts bakte hij pizza’s en stopte deze in dozen. In dit verband komt mede betekenis toe aan het gegeven dat appellant in de periode van 1 mei 2005 tot 1 februari 2008 in loondienst bij dezelfde pizzeria heeft gewerkt.

4.3. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor beëindiging of intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan aan betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de desbetreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Daarbij wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 20 september 2007,

LJN BB6243), dat indien ondanks schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld, het bijstandverlenend orgaan daartoe dient over te gaan.

4.4. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door betrokkene achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandsverlenend orgaan, indien mogelijk, gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden, waarbij het eventueel nadeel voor betrokkene, voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening gelaten mag worden. De Raad verwijst in dit verband onder meer naar zijn uitspraak van 27 september 2011, LJN BT5852.

4.5. Uit de onder 1.2 vermelde feiten blijkt dat appellant wisselende verklaringen heeft afgelegd over het aantal dagen waarop en het aantal uren gedurende welke hij in de pizzeria aanwezig is geweest. Het college heeft aan appellant geen opheldering gevraagd voor die wisselende verklaringen. Voorts had het op de weg van het college gelegen om naar aanleiding van die verklaringen navraag te doen bij de eigenaar van de pizzeria naar de omvang van de door appellant verrichtte werkzaamheden. Het onderzoek is in zoverre onvolledig geweest. Onder de gegeven omstandigheden acht de Raad een integrale intrekking van de bijstand over de gehele in geding zijnde periode op de grond dat het recht niet kan worden vastgesteld, dan ook te vergaand.

4.6. De Raad ziet in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het recht van appellant op bijstand wel is vast te stellen. Met inachtneming van wat onder 4.4 is overwogen dient te worden uitgegaan van de aanwezigheid van appellant in de pizzeria op vier dagen in de week gedurende drieëneenhalf uur per dag. Nu appellant eerder al geruime tijd in loondienst is geweest bij de pizzeria, kan wat betreft de inkomsten aansluiting worden gezocht bij het loon dat appellant destijds bij de pizzeria heeft verdiend, geïndexeerd naar de in geding zijn periode.

4.7. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit B gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

blokkering

4.8 De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit A niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat appellant geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van de blokkering nadat was vastgesteld dat de intrekking van de bijstand stand kon houden. Uit het voorgaande volgt dat deze redenering geen stand kan houden. Bovendien heeft appellant in de bezwaarfase verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Ook in zoverre komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

4.9. De Raad zal vervolgens het beroep tegen bestreden besluit A beoordelen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld, gelet op wat is waargenomen op 19 oktober 2009, dat sprake was van een gegrond vermoeden dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Dat levert voldoende grond op om, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, de uitbetaling van de bijstand te blokkeren. Het beroep tegen bestreden besluit A is dus ongegrond.

4.10. Ten slotte zal worden bezien welk gevolg moet worden gegeven aan het in 4.5 tot en met 4.7 neergelegde oordeel. Daaruit volgt dat het college bevoegd is om de bijstand van appellant over de periode van 25 augustus 2008 tot en met 30 november 2009 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB te herzien aan de hand van wat in 4.6 is overwogen. De Raad kan de berekening van het bedrag van de herziening en de aanvullende bijstand thans niet zelf maken. Nu het nog slechts gaat om de berekening van het bedrag van de herziening en de aanvullende bijstand en ervan mag worden uitgegaan dat daarover geen geschil tussen partijen zal ontstaan, ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot een finale geschillenbeslechting. Daarom zal een opdracht worden gegeven tot het nemen van een nieuw besluit, met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal het college tevens dienen te beslissen op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase.

5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 26 januari 2010 betreffende de blokkering ongegrond;

-verklaart het beroep tegen het afzonderlijke besluit van 26 januari 2010 betreffende de intrekking gegrond en vernietigt dat besluit;

-draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van

-30 november 2009, met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J. van Dam

HD