Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
10-910 TOG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugkomen van een besluit ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht. Geen recht op een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000. De Raad onderschrijft de overwegingen op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat de toepassing van het Beoordelingsinstrument bij de zoon van appellante tot een te lage score leidt om vanaf het vierde kwartaal van 2008 voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met hetgeen zij in eerste aanleg heeft aangevoerd, voor wat betreft het beoordelingsmoment geen nieuwe gezichtspunten. De Raad komt dan ook niet tot een ander oordeel ten aanzien van de vastgestelde score voor haar zoon.

Het had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zij geen recht had op de tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 gelet op de inhoud van het rapport van ClientFirst. In voornoemd rapport staat vermeld dat is geconstateerd dat Salim niet aanzienlijk meer extra zorg nodig heeft dan de gemiddelde leeftijdgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/910 TOG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 januari 2010, 09/1374 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak 5 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.E.C. Krijnen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.F.M. Gulickx, advocaat en kantoorgenoot van mr. Krijnen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. G.A.C.G. Durlinger en mr. A. Marijnissen.

Na de behandeling van het geding op de zitting van 9 november 2011 van de enkelvoudige kamer van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Partijen hebben vervolgens nadere reacties ingediend.

De enkelvoudige kamer van de Raad heeft vervolgens besloten de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer van de Raad.

Met toestemming van partijen heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 9 juli 2008 een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000) aangevraagd ten behoeve van haar zoon [S.], geboren op

28 augustus 2005, omdat hij meer verzorging nodig heeft in verband met een aandoening aan zijn nieren.

1.2. In het kader van het onderzoek naar het recht op de tegemoetkoming heeft de verzekeringsarts B. Weening van ClientFirst Intermediairs te Zeist (ClientFirst) op 20 augustus 2008 aan de Svb een medisch advies uitgebracht. Daarbij is aangegeven dat de beperkingen van [S.] niet tot gevolg hebben dat hij aanzienlijk afhankelijker is van geregelde verzorging of oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd. Bij brief van 20 augustus 2008 heeft ClientFirst appellante een toelichting gegeven op het voormelde advies.

1.3. Bij besluit van 27 augustus 2008 heeft de Svb appellante met ingang van het vierde kwartaal van 2008 op een tegemoetkoming van € 210,08 per kwartaal op grond van de TOG 2000 toegekend. In het besluit staat vermeld dat [S.] volgens ClientFirst meer zorg nodig heeft dan andere kinderen van dezelfde leeftijd zonder een handicap.

1.4. Vervolgens heeft de Svb appellante bij besluit van 15 december 2008 meegedeeld dat de beslissing van 27 augustus 2008 een foute beslissing is geweest. Alsnog wordt besloten dat appellante geen recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000, omdat [S.] niet aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van zijn leeftijd. Het aantal punten dat ClientFirst voor [S.] heeft bepaald, ligt onder het vereiste minimumaantal van vijftien.

1.5. Bij besluit van 13 maart 2009 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 december 2008 ongegrond verklaard. De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat [S.] op de peildatum van 1 oktober 2008 niet voldoet aan de minimale zorgscore van vijftien punten voor de leeftijdcategorie drie tot en met vijf jaar. Voorts is de Svb van mening niet in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel te hebben gehandeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat met het in beroep overgelegde advies van ClientFirst van 9 oktober 2009 de indiening van het besluit van 13 maart 2009 zodanig is gewijzigd dat dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke grondslag berust.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij zich onder meer gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de herziening van de uitkering met terugwerkende kracht. Appellante stelt dat zij aan alle verplichtingen heeft voldaan en dat zij niet heeft kunnen onderkennen dat het besluit van de Svb van 27 augustus 2008 onjuist was.

3.2. De Svb heeft in verweer benadrukt dat appellante heeft kunnen onderkennen dat er ten onrechte een tegemoetkoming ingevolge de TOG 2000 aan haar werd toegekend, omdat zij door CliëntFirst is geïnformeerd over het advies dat aan de Svb zou worden gegeven. Er is dan ook van strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel geen sprake.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Beoordeeld dient te worden of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het door appellante in beroep bestreden besluit van 13 maart 2009 in stand heeft gelaten.

4.2.1. De TOG 2000 heeft tot doel ouders/verzorgers die een ernstig gehandicapt kind thuis verzorgen, terwijl dit kind gelet op de aard en mate van zijn handicap in een intramurale AWBZ-instelling geplaatst zou kunnen worden, financieel tegemoet te komen.

4.2.2. In artikel 2 van de TOG 2000 is bepaald dat als kind wordt aangemerkt een persoon tussen de drie en achttien jaar, die ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard waardoor hij blijvend of voorlopig blijvend gehandicapt is.

4.2.3. In artikel 3 van de TOG 2000 is - kort gezegd - bepaald dat als (voorlopig) blijvend gehandicapt wordt aangemerkt het kind dat (a) aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde verzorging en oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd en (b) aanspraak kan maken op opname in een AWBZ-instelling.

4.2.4. In artikel 4, eerste lid, van de TOG 2000 is bepaald dat de natuurlijke persoon die hier te lande woont en tot wiens huishouden het kind hier te lande op de peildag behoort, over dat kwartaal recht heeft op een tegemoetkoming in de onderhoudskosten van dat kind op grond van deze regeling.

4.2.5. Bij de beoordeling of sprake is van afhankelijkheid van geregelde oppassing en verzorging als bedoeld in artikel 3, onder a, van de TOG 2000 wordt door de Svb, overeenkomstig daartoe opgestelde beleidsregels, gepubliceerd in Stcrt. 2008, nr. 112, vastgesteld of en in welke mate het kind is aangewezen op hulp met betrekking tot de volgende aspecten: lichaamshygiëne, zindelijkheid, eten en drinken, mobiliteit, medische verzorging (de categorie verzorging) en gedragsproblemen, communicatiegebreken, de onmogelijkheid alleen thuis te zijn, begeleiding buitenshuis en handreikingen en begeleiding (de categorie oppassing). Per subcategorie wordt beoordeeld of het kind in welke mate afhankelijk is van hulp, toezicht en begeleiding. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt met de mate van hulp, toezicht en begeleiding die een gezond kind van dezelfde leeftijd nodig heeft.

4.2.6. De Svb hanteert bij die beoordeling een interne uitvoeringsrichtlijn voor deskundigen, het zogenoemde Beoordelingsinstrument TOG (Beoordelingsinstrument). Dit Beoordelingsinstrument zoekt aansluiting bij de toelichting van de TOG 2000 en de door de Svb opgestelde beleidsregels. In het Beoordelingsinstrument wordt een nadere uitwerking gegeven aan de in het beleid genoemde beoordelingsthema's, waarbij per thema, afhankelijk van de zorgzwaarte, nul, één of twee punten worden toegekend. Om te kunnen spreken van aanzienlijk afhankelijker zijn van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van dezelfde leeftijd, hanteert de Svb een minimale score van vijftien punten voor kinderen van drie jaar, dertien punten voor kinderen van vier en vijf jaar, elf punten voor kinderen van zes en zeven jaar, negen punten voor kinderen van acht en negen jaar, acht punten voor kinderen van tien en elf jaar en zes punten voor kinderen van twaalf jaar en ouder.

4.2.7. Zoals de Raad eerder heeft overwogen is niet gebleken dat het Beoordelingsinstrument als zodanig in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of met enig algemeen rechtsbeginsel. Het Beoordelingsinstrument kan dan ook in beginsel als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 worden genomen.

4.2.8. Voor wat betreft de toepassing van het Beoordelingsinstrument in de onderhavige situatie onderschrijft de Raad de overwegingen op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat de toepassing van het Beoordelingsinstrument bij [S.] tot een te lage score leidt om vanaf het vierde kwartaal van 2008 voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met hetgeen zij in eerste aanleg heeft aangevoerd, voor wat betreft het beoordelingsmoment geen nieuwe gezichtspunten. De Raad komt dan ook niet tot een ander oordeel ten aanzien van de vastgestelde score voor [S.].

4.3.1. Het geschil tussen partijen spitst zich vervolgens toe op de vraag of de Svb terecht het besluit waarin de tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 ten onrechte is toegekend, heeft herzien.

4.3.2. In dit verband zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang. In artikel 8, eerste lid, van de TOG 2000 worden de artikelen 14a tot en met 16, 18, eerste, tweede, derde en zevende lid, 19, 19a, 20, 22 tot en met 24, 24a eerste lid, 24b, 30 en 31 van de Algemene kinderbijslagwet (Akw) en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing op een tegemoetkoming verklaard.

4.3.3. Ingevolge het eerste lid van artikel 14a van de Akw dient een besluit tot toekenning van kinderbijslag te worden herzien of ingetrokken, onder meer, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de in artikel 15 van de Akw neergelegde inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag of indien anderszins de kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ingevolge het tweede lid van artikel 14a van de Akw kan van herziening of intrekking om dringende redenen worden afgezien.

4.3.4. Uit artikel 14a, eerste lid, van de Akw volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 14a van de Akw is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.

4.3.5. De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht. Zoals de Raad reeds heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 5 november 2010, LJN BO3352, dient het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt te worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.3.6. De Raad is niet gebleken dat de Svb voormeld beleid niet consistent heeft toegepast. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij geen recht had op de tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 gelet op de inhoud van het rapport van 20 augustus 2008 van ClientFirst. In voornoemd rapport staat vermeld dat is geconstateerd dat [S.] niet aanzienlijk meer extra zorg nodig heeft dan de gemiddelde leeftijdgenoot. Appellante heeft op 20 augustus 2008 een brief van Clientfirst ontvangen, waarin het advies is uitgelegd. Bovendien is in het besluit van 27 augustus 2008 vermeld dat appellante een tegemoetkoming ingevolge de TOG 2000 wordt toegekend omdat [S.] volgens ClientFirst meer zorg nodig heeft dan leeftijdsgenoten, hetgeen in strijd is met het appellante bekende rapport. Voorts heeft de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat in het geval van appellante sprake is van een kennelijk onredelijke toepassing van artikel 14a van de Akw. In dit verband hecht de Raad er verder aan op te merken dat niet is gebleken dat dat de website van de Svb ten tijde van belang onjuiste informatie gaf over het puntensysteem van de TOG 2000 zoals dat ten tijde van belang gold, zodat het beroep daarop van appellante evenmin slaagt.

4.3.7. Uit hetgeen is overwogen in de voorgaande rechtsoverwegingen volgt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en H.J. de Mooij en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.

(getekend) H.C.P. Venema

M.C. Nijholt

De griffier is buiten staat te tekenen

HD