Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6600

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
10/854 WWB + 10/855 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering het besluit van 29 januari 2004 te herzien. De omstandigheid dat appellanten met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning hebben verkregen is niet zodanig bijzonder is dat in afwijking van artikel 44 van de WWB met terugwerkende kracht bijstand kan worden verleend. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat derden in de noodzakelijke kosten van hun bestaan hebben voorzien en dat zij deswege jegens die derden schulden, met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting, zijn aangegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/854 WWB, 10/855 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2009, 09/3115 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] en [Appellante], beiden te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 4 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Ketting, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft met toepassing van artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (minister) verzocht stukken over te leggen en informatie te verschaffen. De minister heeft bij brief van 6 juni 2012 aan dit verzoek voldaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. J. Sietsma, kantoorgenoot van mr. Ketting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1981 Nederland binnengekomen, appellante in 1990. Vergeefs hebben appellanten afzonderlijk en samen verscheidene verblijfsrechtelijke procedures gevoerd. Appellanten hebben een aanvraag om een verblijfsvergunning gedaan naar aanleiding van de toezegging op 14 januari 2003 door de toenmalige minister voor vreemdelingenzaken en integratie Nawijn. Bij beschikking van 12 september 2008 heeft de Staatssecretaris van Justitie appellanten met ingang van 22 oktober 2003 een verblijfsvergunning verleend, geldig tot 22 oktober 2009, onder de beperking ‘conform beschikking Staatssecretaris’.

1.2. Bij besluit van 29 januari 2004 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 februari 2004 beëindigd op de grond dat appellanten geen geldige verblijfsstatus hebben. Dit besluit is na bezwaar en beroep in rechte onaantastbaar geworden bij uitspraak van de Raad van 4 juli 2006. Het college heeft aan de twee minderjarige dochters van appellanten algemene en bijzondere bijstand verleend. Het college heeft die bijstandsverlening beëindigd met ingang van 1 januari 2007 op de grond dat het Centraal orgaan opvang asielzoekers met ingang van die datum aan minderjarige kinderen zoals de dochters van appellanten op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (RVB) opvang, in dit geval in de vorm van een financiële toelage, verstrekt. Bij uitspraak van 8 november 2007 heeft de rechtbank deze besluitvorming niet in stand gelaten voor zover het de bijzondere bijstand betreft. Het college heeft de verlening van bijzondere bijstand voor de kosten van huur en energie aan de minderjarige dochters voortgezet tot 1 november 2008.

1.3. Bij besluit van 20 november 2008 heeft het college appellanten met ingang van 1 oktober 2008 bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.4. Bij brief van 21 februari 2009 heeft mr. Fischer, advocaat, onder de titel “Aanvraag bijstand met ingang van 1 februari 2004” het college namens appellanten verzocht terug te komen van het besluit van 29 januari 2004 vanwege het nieuwe feit dat het verblijfsrechtelijke probleem niet meer bestaat.

1.5. Bij besluit van 20 april 2009 heeft het college geweigerd het besluit van 29 januari 2004 te herzien.

1.6. Bij besluit van 29 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 april 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college - kort gezegd - overwogen dat de omstandigheid dat appellanten met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning hebben verkregen niet zodanig bijzonder is dat in afwijking van artikel 44 van de WWB met terugwerkende kracht bijstand kan worden verleend en dat appellanten voorts niet aannemelijk hebben gemaakt gedurende die periode in bijstandsbehoevende omstandigheden te hebben verkeerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd op de hierna te bespreken gronden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De hier te beoordelen periode loopt van 1 februari 2004 tot 1 oktober 2008.

4.2. Ingevolge de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 24 mei 2011, LJN BQ8031), kan van zodanige bijzondere omstandigheden sprake zijn indien aan een vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning wordt verleend en hij aannemelijk maakt dat hij over de periode vanaf de ingangsdatum van de verblijfsvergunning tot aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft kunnen voorzien. Het complementaire karakter van de WWB brengt mee dat betrokkene dan aannemelijk dient te maken dat derden feitelijk in die kosten hebben voorzien en hij om die reden een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting is aangegaan, alsmede dat, indien hij hierin slaagt, de bijstandsverlening beperkt dient te blijven tot de hoogte van die reële schuld.

4.3. Tussen partijen is in geschil of appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat derden in de noodzakelijke kosten van het bestaan van appellanten hebben voorzien en dat zij deswege jegens die derden schulden als onder 4.2 bedoeld zijn aangegaan, en zo ja tot welk bedrag.

4.4. Appellanten hebben gekozen voor het aangaan van onderhandse leningen bij islamitische geldverstrekkers. Het voordeel is dat geen rente betaald hoeft te worden, het nadeel is dat deze niet op schrift zijn gesteld. Appellanten betogen dat, omdat het leningen zijn, per definitie voldaan is aan het vereiste van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Dit betoog faalt echter reeds omdat appellanten de onderhandse leningen niet aannemelijk hebben gemaakt. Immers, ieder schriftelijk bewijs ontbreekt ter ondersteuning van de gestelde leningen. De brief van [E.] van 3 juli 2009 kan daartoe ook niet dienen. Deze brief bevat slechts een weergave van wat appellanten verklaard hebben over deze leningen.

4.5. Appellanten stellen in de te beoordelen periode schulden te zijn aangegaan voor hun levensonderhoud bij een bank, een postorderbedrijf, een creditkaartmaatschappij, een zorgverzekeraar, een ziekenhuis en een woningverhuurder. Zij hebben daartoe stukken overgelegd.

4.6. De stukken ten aanzien van de schulden bij het postorderbedrijf, de creditkaartmaatschappij en het ziekenhuis dateren van na de te beoordelen periode en kunnen reeds daarom geen bewijs opleveren van schulden als onder 4.2 bedoeld. Het stuk van de bank van 21 september 2006 meldt het bestaan van een saldotekort op een rekening van € 2.937,20. Zonder nadere onderbouwing omtrent het saldo bij aanvang van de te beoordelen periode en het verloop daarvan, volgt uit dit stuk niet dat die schuld is aangegaan in de te beoordelen periode opdat werd voorzien in de kosten van levensonderhoud. Uit het stuk van de woningverhuurder van 18 april 2006 blijkt dat behoudens € 100,-- de huurschuld van € 6.536,55 is voldaan. Dit betreft echter een betalingsachterstand en geen schuld die bij derden is aangegaan om in het levensonderhoud te voorzien. Dit geldt ook voor de overgelegde stukken ten aanzien van de zorgverzekeraar.

4.7. Appellanten hebben nog betoogd dat het college en de rechtbank hen ambtshalve in de gelegenheid had moeten stellen nadere stukken in te brengen ter ondersteuning van hun stellingen, zelfs binnen de termijn van 10 dagen voor de zitting als bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betoog moet falen, omdat het aan appellanten was om hun stellingen aannemelijk te maken en daartoe tijdig stukken over te leggen. In hoger beroep hebben appellanten alsnog dergelijke stukken overgelegd. Deze zijn bij bovenstaande beoordeling betrokken.

4.8. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R. Scheffer

HD