Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6598

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
10/7104 WWB + 10/7105 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Autohandel. Als gevolg van schending van de wettelijke inlichtingenverplichting en het ontbreken van controleerbare gegevens inzake de koop en verkoop van (onderdelen van) de auto’s het recht op (aanvullende) bijstand over de transactiemaanden niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/7104 WWB, 10/7105 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 november 2010, 10/538 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

Datum uitspraak 4 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.L.M. Arets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2012. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 1 juni 1993 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Uit onderzoek, ingesteld in het kader van het RDW-Project, heeft de Afdeling Werkgelegenheid en Sociale Zaken van de gemeente Heerlen gegevens verkregen van de Dienst Wegverkeer (RDW). Hieruit bleek dat appellanten meerdere kentekens op hun naam hadden staan. Op de verzoeken van het college bij de brieven van 22 september 2006 en

13 november 2006 om nadere gegevens, zoals aan- en/of verkoopbewijzen van de betreffende auto’s, heeft appellant bij ongedateerd schrijven verklaard dat hij geen andere inkomsten geniet dan de bijstandsuitkering. De Afdeling Werkgelegenheid en Sociale Zaken heeft het onderzoek in 2009 hervat. In dat verband zijn bij de brieven van 18 juni 2009 en

28 juli 2009 herhaalde verzoeken om nadere gegevens gedaan, is onderzoek in Suwinet en in de status- en mutatieformulieren verricht en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 oktober 2009.

1.3. De resultaten van dit onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 25 november 2009 de bijstand van appellanten over diverse maanden binnen de periode van 15 mei 2006 tot 1 maart 2009 te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand over die tijdvakken van appellanten terug te vorderen.

1.4. Bij besluit van 16 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2009 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellanten de inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen, nu zij in de betreffende maanden 55 kentekens op hun naam hadden staan zonder daarvan melding te maken. Als gevolg van schending van de op hen rustende inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand over de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden niet worden vastgesteld, nu van de activiteiten op het gebied van autohandel geen administratie is bijgehouden en vanwege het grote aantal kentekens niet aannemelijk is dat het om een hobby gaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Omdat het college na de reactie van appellant op de brieven in 2006 volkomen inactief is gebleken, mochten zij er op vertrouwen dat zij daaraan hadden voldaan. Aan de conclusies van het college ligt onvoldoende onderzoek ten grondslag. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat aan een strafrechtelijke beslissing in een bestuursrechtelijke procedure geen beslissende betekenis toekomt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van de gegevens van de RDW blijkt dat in de periode in geding tientallen kentekens merendeels gedurende betrekkelijk korte tijd, variërend van een dag tot zes maanden, op naam van appellanten hebben gestaan. Het college heeft met de gegevens van de RDW aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot de motorvoertuigen transacties hebben plaatsgevonden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 29 december 2009, LJN BK8306) is de datum met ingang waarvan het kenteken niet langer op naam van betrokkene staat, de datum waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. Deze transacties zijn onmiskenbaar van belang voor de bijstand. Het feit dat het gaat om oude auto’s die voor de sloop zijn aangemeld, betekent niet dat de transacties geen invloed op de verlening van bijstand hebben of kunnen hebben (vergelijk de uitspraak van 5 januari 2010, LJN BK9786).

4.2. Vaststaat dat appellanten gedurende de maanden in geding geen melding hebben gemaakt van de transacties die hebben plaatsgevonden. Met de verzoeken van het college bij de brieven van 22 september 2006 en 13 november 2006 heeft het college appellanten nogmaals op die verplichting gewezen. Daarbij heeft het college verzocht om toezending van afschriften van alle kentekenbewijzen, aan- en/of verkoopbewijzen, vrijwaringsbewijzen en verzekeringsdocumenten van de in bezit (geweest) zijnde auto’s en afschriften van financieringsbewijzen. Bij zijn ongedateerde reactie daarop heeft appellant destijds echter geen gegevens overgelegd, terwijl zijn brief overigens weinig concrete informatie bevat. Eerst na hervatting van het onderzoek in 2009 heeft appellant een aantal gegevens overgelegd en heeft hij te kennen gegeven dat hij geen boekhouding van de in- en verkoop van auto’s heeft bijgehouden omdat het meer een hobby van hem is. Mede gelet op het aantal transacties en het frequente karakter daarvan kan appellant niet worden gevolgd in zijn stelling dat die activiteiten slechts een hobbymatig karakter hadden, te minder nu volgens het verslag van de hoorzitting in bezwaar appellant heeft verklaard dat hij uit voor de sloop bestemde auto’s bruikbare onderdelen haalde en die aan derden verkocht, althans zo verstaat de Raad de door appellant gebruikte woorden dat hij hen bij het geven van die onderdelen “niet het vel over de oren trok”.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat appellanten in de transactiemaanden de op hen ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Het betoog van appellanten dat deze conclusie niet getrokken kan worden zonder onderzoek van de situatie ter plaatse of in de buurt, kan de Raad niet volgen, omdat met de van de RDW verkregen gegevens al afdoende is onderbouwd dat sprake is van schending van de wettelijke inlichtingenverplichting. Appellanten hebben voorts betoogd dat zij, toen op de brief van appellant in 2006 geruime tijd geen vervolg kwam, erop hebben vertrouwd aan hun inlichtingenverplichting te hebben voldaan. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. Niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van het college waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. Ook kan niet worden gezegd dat het college door het enkele feit dat het onderzoek geruime tijd heeft stilgelegen, het vertrouwen heeft gewekt dat appellanten met de reactie van appellant op de brieven van 2006 voldoende informatie hebben verschaft. Gelet op de inhoud van die verzoeken was die reactie daartoe te summier. Bovendien heeft appellant daarbij niet de gevraagde vrijwaringsbewijzen overgelegd, terwijl hij dat na nieuwe verzoeken in 2009 wel heeft gedaan.

4.4. Evenals de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat als gevolg van schending van de wettelijke inlichtingenverplichting en het ontbreken van controleerbare gegevens inzake de koop en verkoop van (onderdelen van) de auto’s het recht op (aanvullende) bijstand over de transactiemaanden niet is vast te stellen.

4.5. De omstandigheid dat appellant bij vonnis van de politierechter van 17 maart 2010 is vrijgesproken in verband met het niet verstrekken van gegevens, doet aan het voorgaande niet af. De bestuursrechter is immers bij de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en H.C.P. Venema en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) E. Heemsbergen

HD