Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6561

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
10-2399 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Intrekking WAO-uitkering. Gezien de rapportage van de door de Raad geraadpleegde deskundigen, zijn de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid in de FML niet juist vastgesteld. Dit betekent dat het bestreden besluit geen voldoende medische grondslag heeft en daarom dient te worden vernietigd. De Raad draagt het Uwv op het geconstateerde gebrek te herstellen, door de FML te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de bevindingen en conclusies van het deskundigenrapport, en op basis van de aldus aangepaste FML, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage, de intrekking van de WAO-uitkering van appellante nader te onderbouwen dan wel een nader besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2399 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

16 maart 2010, 09/2521 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.T. Martens hoger beroep ingesteld. Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. De door appellante meegebrachte deskundigen P.C. Blom, psychiater, en G. Clauwaert, verzekeringsarts, zijn gehoord.

Na sluiting van het onderzoek is gebleken dat dit niet volledig is geweest. Om die reden is het onderzoek heropend.

De Raad heeft psychiater A.L. Sutterland benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Psychiater Sutterland en psychiater in opleiding A. Remmelzwaal hebben op 30 januari 2012 schriftelijk verslag van het onderzoek uitgebracht.

Het Uwv en appellante hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport naar voren gebracht.

Op verzoek van de Raad hebben de deskundigen bij brief van 2 april 2012 gereageerd op de zienswijzen van partijen.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven verder onderzoek ter zitting achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is in 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv in 2008 een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. Naar aanleiding van de uitkomst van deze onderzoeken is de WAO-uitkering van appellante bij besluit van 16 oktober 2008 met ingang van 16 december 2008 ingetrokken op de grond dat zij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2. In bezwaar heeft het Uwv een expertise laten verrichten door psychiater W.M.J. Hassing. Deze deskundige heeft op 10 februari 2009 gerapporteerd. Uit haar rapport blijkt dat er bij appellante sprake is van een chronische aanpassingsstoornis, niet gespecificeerd, met lichamelijke klachten. Op het moment van onderzoek waren er geen aanwijzingen voor een depressieve stoornis. Op basis van de psychiatrische expertise heeft het Uwv de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op 12 februari 2009 op enkele punten aangepast. Met inachtneming van de aangepaste FML zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies opnieuw beoordeeld en onveranderd passend bevonden voor appellante. Bij besluit van 23 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van 16 oktober 2008 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies in het deskundigenrapport van psychiater Hassing. Hassing heeft gereageerd op een door appellante ingebrachte brief van haar behandelend psychiater P.C. Blom van 24 juni 2009 en nader gemotiveerd waarom zij van mening is dat er ten tijde van haar onderzoek bij appellante geen sprake was van een depressie. Ook in de nadere reactie van Blom van 20 november 2009 heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan het deskundigenrapport. Het medisch onderzoek is zorgvuldig geweest en het bestreden besluit berust op een voldoende medische grondslag. De rechtbank heeft zich eveneens kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3. Appellante heeft in hoger beroep de eerder in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen er op neer dat het Uwv de psychische beperkingen van appellante heeft onderschat. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante onder andere verwezen naar diverse brieven van psychiater Blom. Appellante heeft de Raad verzocht om een nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Gelet op het verschil van inzicht over de psychische toestand van appellante tussen psychiater Hassing en psychiater Blom en hetgeen Blom hierover ter zitting van 29 juni 2011 als deskundige heeft verklaard, heeft de Raad aanleiding gezien om zelf een onafhankelijke deskundige te benoemen. Psychiater Sutterland en psychiater in opleiding Remmelzwaal komen in hun rapport van 30 januari 2012 tot de conclusie dat er bij appellante op de datum in geding, 16 december 2008, sprake was van een depressieve stoornis, matig van ernst. Na 16 december 2008 zijn de klachten verergerd en ten tijde van de expertise was er bij appellante sprake van een ernstige depressieve stoornis. Daarnaast was en is er bij appellante sprake van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. De deskundigen kunnen zich op een aantal punten niet verenigen met de door de het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante. Appellante wordt door de deskundigen wat betreft het persoonlijk functioneren beperkt geacht ten aanzien van concentratie en aandacht, herinneren en doelmatig/zelfstandig handelen. De deskundigen hebben verder beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante in het dagelijks leven benoemd.

4.3. Sutterland en Remmelzwaal hebben in de reactie van partijen op hun rapport geen aanleiding gezien om hun conclusies te herzien. Zij hebben in hun brief van 2 april 2012 erop gewezen dat bij hun onderzoek is gebleken dat appellante in december 2008 voldeed aan de criteria van een depressieve stoornis. Er zal toen sprake geweest van een minder ernstig beeld dan bij het onderzoek van de deskundigen, maar van een ernstiger beeld dan Hassing heeft beschreven. De deskundigen handhaven hun opvatting dat de belastbaarheid van appellante anders is dan weergegeven in de FML van 12 februari 2009.

4.4. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van de door het Uwv in bezwaar geraadpleegde deskundige Hassing is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Er zijn geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de in het deskundigenrapport van 30 januari 2012 neergelegde zienswijze. Dat Hassing haar onderzoek heeft verricht op een datum die veel dichter ligt bij de datum in geding, zoals het Uwv heeft benadrukt, betekent niet dat de deskundigen bij hun onderzoek van appellante op een latere datum van haar toestand in december 2008 geen juist beeld hebben kunnen verkrijgen. Ook uit het feit dat het afnemen van de anamnese als gevolg van heftige emoties van appellante moeizaam is verlopen, volgt niet dat de deskundigen geen juiste conclusies hebben getrokken. De Raad volgt dan ook het oordeel van Sutterland en Remmelzwaal.

4.5. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid in de FML van 12 februari 2009 niet juist zijn vastgesteld. Dit betekent dat het bestreden besluit geen voldoende medische grondslag heeft en daarom dient te worden vernietigd.

4.6. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het Uwv. Met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet wordt het Uwv opgedragen het in overweging 4.5 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Hiertoe dient het Uwv de FML van 12 februari 2009 te wijzigen in overeenstemming te brengen met de bevindingen en conclusies van het deskundigenrapport van 30 januari 2012 en op basis van de aldus aangepaste FML, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage, de intrekking van de WAO-uitkering van appellante nader te onderbouwen dan wel een nader besluit te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 23 maart 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) P. Boer