Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6558

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
11-3481 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging uitkeringspercentage WW: verwijtbaar werkloos. Volgens het Uwv ligt er een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek ten grondslag aan werkloosheid appellant. Objectieve dringendheid van de ontslagreden staat buiten twijfel. Een dringende reden voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst, die geen andere is dan de dringende reden waarnaar in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW wordt verwezen, kan ook aanwezig worden geacht als tussen het bekend worden van die reden en de indiening van een ontbindingsverzoek enige tijd is verstreken. Anders dan appellant heeft betoogd, kan voor het ontbreken van subjectieve dringendheid geen aanwijzing worden gevonden in het feit dat werkgever appellant, na de op 19 april 2009 opgelegde buitendienststelling, nog arbeid heeft laten verrichten tot het einde van de arbeidsovereenkomst.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TRA 2012/101 met annotatie van L. van den Berg
RSV 2013/40
USZ 2012/301 met annotatie van G.C. Boot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3481 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2011, 10/1591 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werkgever] (werkgever)

Datum uitspraak: 5 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld en het standpunt van appellant nader toegelicht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens werkgever heeft mr. O. van der Kind, advocaat, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2012. Voor appellant is mr. Vetter verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman. Voor werkgever is verschenen J.K.U. Olivier, bijgestaan door

mr. Van der Kind.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in dienst van werkgever werkzaam geweest als tramconducteur. Bij beschikking van de kantonrechter te Amsterdam van 6 augustus 2009 is de arbeidsovereenkomst op verzoek van werkgever ontbonden met ingang van 6 september 2009. Daarbij is aan appellant geen vergoeding toegekend. Appellant heeft het Uwv gevraagd hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 6 november 2009 heeft het Uwv appellant met ingang van 2 november 2009 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Daarbij is voor de bepaling van de ingangsdatum rekening gehouden met de zogenoemde fictieve opzegtermijn en is het uitkeringspercentage over de eerste 26 weken verlaagd tot 35%, omdat appellant volgens het Uwv verwijtbaar werkloos is geworden.

1.2. Appellant en werkgever hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 november 2009. Bij besluit van 18 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond en dat van werkgever gegrond verklaard. De gewijzigde opvatting van het Uwv is dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat aan zijn werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt als bedoeld in artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW), appellant ter zake een verwijt kan worden gemaakt en het niet nakomen van de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen hem in overwegende mate kan worden verweten. Daarom heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 19 maart 2010 ingetrokken.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat de gedragingen van appellant, die voor werkgever aanleiding zijn geweest ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vragen, zowel objectief als subjectief een dringende reden zijn. Door ter zitting van de rechtbank uiteen te zetten dat, en op welke wijze, bij de beoordeling van de dringende reden de persoonlijke omstandigheden van appellant zijn betrokken, heeft het Uwv alsnog de aan het bestreden besluit ontbrekende motivering gegeven.

3.1. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank een verkeerde maatstaf heeft aangelegd omdat werkgever nooit een ontslag op staande voet van appellant heeft overwogen. Hij heeft betoogd dat de gedragingen die werkgever hem heeft aangerekend objectief geen dringende reden zijn en dat uit het tijdsverloop volgt dat van een subjectieve dringende reden geen sprake is geweest.

3.2. Het Uwv en werkgever hebben bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar overwegingen 3.2 tot en met 3.4 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW het Uwv de WW-uitkering blijvend geheel weigert aan de werknemer die verwijtbaar werkloos is geworden, tenzij het niet nakomen van de verplichting verwijtbare werkloosheid te voorkomen hem niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2. In hoger beroep ligt de vraag voor of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven. Dat is het geval als aan de werkloosheid van appellant een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt. In lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad over de arbeidsrechtelijke dringende reden is daarvoor een beoordeling nodig van de objectieve dringendheid, waarbij ook betekenis toekomt aan relevante aspecten van de dienstbetrekking en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, en van de subjectieve dringendheid van de redenen die de werkgever voor het ontbindingsverzoek had.

4.3. Op grond van de stukken en hetgeen partijen hebben verklaard staat het volgende vast.

4.3.1. Een tramconducteur in dienst van werkgever beschikt voor de verkoop van vervoersbewijzen over een zogenoemd persoonsgebonden depot van ruim € 600,-. De wijze waarop het depot moet worden beheerd is beschreven in het Reglement depotbeheer rijdend/varend personeel. In artikel 4.1 van dit reglement is onder andere vastgelegd dat het depot alleen mag worden aangewend voor het uitvoeren van de functie en dat het mengen van privé geld met het depot niet is toegestaan. In artikel 5 is onder andere bepaald dat een leidinggevende altijd een depotcontrole mag uitvoeren en dat het niet houden aan de regels en voorschriften uit het reglement kan leiden tot sancties.

4.3.2. Werkgever heeft appellant in 2007 een ernstige schriftelijke waarschuwing gegeven nadat bij een depotcontrole een tekort van ruim € 300,- was geconstateerd. In zijn brief van 11 april 2007 heeft werkgever appellant voorgehouden dat zijn gedrag ontslagwaardig is, sprake is van een laatste waarschuwing en bij een volgend depottekort tot een aanvraag tot ontslag zal worden overgegaan.

4.3.3. Bij een depotcontrole op 15 april 2009 is werkgever opnieuw een depottekort gebleken. Werkgever heeft op 19 april 2009 een verantwoordingsgesprek gevoerd met appellant. In dit gesprek heeft appellant verklaard dat hij op 25 maart 2009 zijn laatste rit niet heeft uitgereden en voortijdig de tram heeft verlaten om boeten te betalen van zijn zoon, die op dat moment op een politiebureau werd vastgehouden. Daarvoor heeft appellant een bedrag van € 325,- uit zijn depot gehaald.

4.3.4. Met een brief van 27 april 2009 heeft werkgever appellant ervan op de hoogte gesteld dat hij de gedragingen van appellant op 25 maart 2009 ziet als verwijtbaar waardoor hij definitief het vertrouwen in hem heeft verloren en zich tot de kantonrechter zal wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Daarbij heeft werkgever erop gewezen dat appellant niet alleen al een laatste waarschuwing in verband met een depottekort had ontvangen, maar dat hem ook in 2004 de straf van voorwaardelijk ontslag was opgelegd omdat hij verschillende malen de tram zonder toestemming had verlaten. Werkgever heeft appellant uit zijn functie ontheven en hem tewerkgesteld bij [B. ]. Verder heeft hij appellant uitgenodigd voor een gesprek op 13 mei 2009 en onder zijn aandacht gebracht dat hij op grond van de toepasselijke CAO de algemeen directeur om heroverweging kan vragen van het besluit dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Op 13 mei 2009 is met appellant besproken hoe een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter verloopt. De termijn voor het vragen van heroverweging heeft appellant ongebruikt laten verstrijken.

4.3.5. Werkgever heeft op 19 juni 2009 een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend en primair op grond van een dringende reden, subsidiair op grond van een verandering in de omstandigheden, ontbinding van de arbeidsovereenkomst met appellant gevraagd.

4.3.6. In de ontbindingsbeschikking heeft de kantonrechter overwogen dat voor het vaststellen van de door werkgever gestelde dringende reden een nader onderzoek nodig is van de feiten, waarvoor de ontbindingsprocedure zich naar haar karakter niet leent. Wel heeft de kantonrechter als zijn oordeel gegeven dat appellant, door op 25 maart 2009 de tram tijdens diensttijd te verlaten en het depot voor privé uitgaven aan te wenden, zodanig in strijd met zijn verplichtingen en zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat werkgever op goede gronden kan stellen dat zij het vertrouwen in appellant als tramconducteur heeft verloren, zodat verdere samenwerking van partijen niet meer mogelijk is.

4.4. De rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat de gedragingen van appellant, ook als rekening wordt gehouden met diens dienstverband van negen jaar en diens leeftijd van toen 55 jaar, een objectieve dringende reden zijn. Alleen al het aanwenden van het depot, in strijd met de uitdrukkelijk gegeven regels over het gebruik daarvan, voor het betalen van boeten van zijn zoon en daarmee aanwenden voor privé doeleinden, is aan te merken als een gedraging die tot gevolg had dat van werkgever niet langer kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst met appellant te laten voortduren. Daarbij is van belang dat appellant in 2007 al een laatste waarschuwing in verband met een - toen eveneens omvangrijk - depottekort had gekregen. Als daarenboven rekening wordt gehouden met het feit dat appellant zonder toestemming de tram heeft verlaten en ook ter zake hiervan gelet op het eerdere voorwaardelijke strafontslag zonder meer als een gewaarschuwd man had te gelden, staat de objectieve dringendheid van de ontslagreden buiten twijfel.

4.5.1. Onderzocht moet vervolgens worden of de rechtbank ook kan worden gevolgd in haar oordeel dat subjectief bezien van een dringende reden sprake is. In dat verband is hier van belang het handelen van werkgever vanaf de ontdekking van het depottekort op 15 april 2009 tot de indiening van het verzoekschrift op 19 juni 2009.

4.5.2. Na de constatering van het depottekort op 15 april 2009 hebben de leidinggevenden op 19 april 2009 met appellant gesproken. In dit gesprek is werkgever het ontstaan van het tekort duidelijk geworden alsmede de achtergrond van de ‘vermissing’ van appellant op 25 maart 2009. Het gesprek is geëindigd met de mededeling van de leidinggevenden dat beraad zal volgen en dat aan appellant uitsluitsel zal worden gegeven hoe nu verder te gaan. Daarbij is appellant buiten dienst gesteld omdat hij zonder volledig depot zijn werkzaamheden niet naar behoren kan uitoefenen. Het beraad heeft ertoe geleid dat werkgever appellant bij de in 4.3.5 beschreven brief van 27 april 2009 ontslag heeft aangekondigd. De inrichting en de omvang van de organisatie van werkgever in aanmerking genomen kan niet worden gezegd dat werkgever heeft gedraald met het nemen van het besluit dat aan het dienstverband een einde moest komen op grond van de hem gebleken, en door appellant in het gesprek op 19 april 2009 erkende, feiten.

4.5.3. Vanaf de ontvangst van de brief van 27 april 2009 kan bij appellant in redelijkheid niet de gedachte zijn ontstaan dat werkgever zijn besluit niet langer overeind hield. Werkgever heeft achtereenvolgens de door de CAO voorgeschreven en ter voorbereiding van een ontbindingsprocedure noodzakelijk stappen gezet. Bij de planning van het vervolggesprek op 13 mei 2009 is kennelijk rekening gehouden met de termijn van twee weken waarbinnen appellant op grond van de CAO heroverweging van het ontslagbesluit van 27 april 2009 kon vragen. In dat gesprek is appellant het verloop van een ontbindingsprocedure uiteengezet en moet hem duidelijk zijn geworden dat daarvoor een verzoekschrift zou worden opgesteld. Werkgever heeft ervoor gekozen daarvoor een advocaat in te schakelen die het, na overleg met werkgever, opgestelde verzoekschrift - voorzien van de benodigde stukken die de primaire ontbindingsgrond onderbouwden - op 19 juni 2009 bij de rechtbank heeft ingediend. In het tijdsverloop tussen 15 april 2009 en 19 juni 2009 kan geen aanwijzing worden gevonden voor het ontbreken van subjectieve dringendheid. Werkgever en het Uwv hebben terecht erop gewezen dat voor het aanwezig zijn van een gewichtige reden als bedoeld in artikel 7:685 van het BW, bestaande in een dringende reden, niet is vereist dat een werkgever op stel en sprong tot indiening van een verzoekschrift overgaat nadat hij bekend is geworden met de feiten die hij als een dringende reden kwalificeert. Een dringende reden voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst, die geen andere is dan de dringende reden waarnaar in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW wordt verwezen, kan ook aanwezig worden geacht als tussen het bekend worden van die reden en de indiening van een ontbindingsverzoek enige tijd is verstreken.

4.5.4. Anders dan appellant heeft betoogd, kan voor het ontbreken van subjectieve dringendheid evenmin een aanwijzing worden gevonden in het feit dat werkgever appellant, na de op 19 april 2009 opgelegde buitendienststelling, nog arbeid heeft laten verrichten tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 6 september 2009. Werkgever heeft gehandeld in overeenstemming met zijn opvatting dat appellant niet als tramconducteur kon worden gehandhaafd. Met de plaatsing van app[B. ], welke plaatsing door werkgever is aangeduid als ‘bovenformatief’, is bereikt dat hij niet betaald kwam thuis te zitten. Bij de beoordeling van de subjectieve dringendheid van de ontslagreden heeft deze plaatsing geen andere betekenis dan een non-actiefstelling met behoud van loon.

4.5.5. De gang van zaken na de indiening van het ontbindingsverzoek biedt ook geen aanknopingspunten om het oordeel van de rechtbank over de subjectieve dringendheid niet te volgen. Aan het feit dat de arbeidsovereenkomst eerst met ingang van 6 september 2009 is ontbonden, komt geen betekenis toe, nu niet is gebleken van enige invloed van de werkgever op de duur van de ontbindingsprocedure of op de beslissing van de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst eerst een maand na zijn beschikking te doen eindigen.

4.6. Uit 4.2 tot en met 4.5.5 volgt dat aan de werkloosheid van appellant een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag lag. Appellant heeft met zijn gedragingen deze reden doen ontstaan, zodat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Niet is gebleken dat het niet nakomen van de verplichting verwijtbare werkloosheid te voorkomen appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. Het Uwv heeft aan appellant terecht een WW-uitkering geweigerd. De aangevallen uitspraak zal, voor zover appellant deze heeft aangevochten, worden bevestigd.

5.1. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

5.2. Werkgever heeft verzocht om vergoeding van zijn proceskosten in beroep en in hoger beroep. De door de rechtbank uitgesproken kostenveroordeling maakt, gelet op de door appellant geformuleerde beroepsgronden en het feit dat werkgever tegen de aangevallen uitspraak niet is opgekomen, geen deel uit van het geding in hoger beroep. Voor het alsnog veroordelen van het Uwv in de proceskosten van werkgever in beroep is geen ruimte. Er bestaat wel aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van werkgever in hoger beroep. Werkgever heeft redelijkerwijs kosten moeten maken om het door hem in de bezwaarprocedure behaalde resultaat in de procedure bij de rechter te behouden. De kosten voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand worden begroot op € 655,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van werkgever tot een bedrag van € 655,50.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) P. Boer