Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6551

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
11-2724 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De opvatting van appellante dat het Uwv - gelet op het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat ten grondslag ligt aan het besluit tot toekenning van de IVA-uitkering per 1 juli 2011 - per de datum in geding, 1 september 2009, een IVA-uitkering dient toe te kennen slaagt niet. Aan appellante is weliswaar een IVA-uitkering toegekend per 1 juli 2011, maar hieraan ligt naast een medische beoordeling ook een arbeidskundige beoordeling ten grondslag. Gelet op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige heeft niet de medische geschiktheid van de functies, maar de indexering van het maatmaninkomen een doorslaggevende rol gespeeld bij de vaststelling van het hogere arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 juli 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2724 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2011, 10/3167 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. M. Blom, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2012. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend vanaf 28 augustus 2006.

1.2. Bij besluit van 4 september 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat de loongerelateerde WGA-uitkering van appellante op 30 augustus 2008 eindigt en dat op 1 september 2009 de WGA-vervolguitkering in gaat. Deze vervolguitkering is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt omdat zij meent dat zij toegenomen beperkingen ondervindt waardoor zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 26 mei 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts. Zij heeft zich achter de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts gesteld ten aanzien van de relevantie van de gestelde stijging van de Apneu-Hypopneu Index (AHI) van 26,7 naar 28,7 voor de beperkingen ten gevolge van Obstructief Slaap Apneu Syndroom (OSAS). Voorts heeft zij het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat het hebben van huishoudelijke hulp en hulp bij vervoer van en naar het ziekenhuis niet kan leiden tot de conclusie dat appellante niet zelfstandig is ten aanzien van de algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl), in die zin dat zij afhankelijk van derden is in de zelfverzorging. Ten slotte is haar niet gebleken dat de voorgehouden functies in medisch opzicht niet passend zijn voor appellante.

2. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Haar psychische beperkingen en met name de beperkingen ten gevolge van OSAS zijn onderschat naar haar mening. Voorts heeft zij erop gewezen dat aan haar inmiddels bij besluit van 14 december 2011 een IVA-uitkering is toegekend per 7 juli 2011, waarbij door de bezwaarverzekeringsarts is gesteld dat geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de beoordelingsdatum 1 september 2009. Dit nieuwe besluit rechtvaardigt in haar optiek intrekking van het bestreden besluit en toekenning van een IVA-uitkering met ingang van 1 september 2009.

3.1. De Raad overweegt het volgende.

3.2. De verzekeringsarts heeft een medisch onderzoek verricht bij appellante op 10 juli 2009. Op grond van het medisch dossier van appellante en op grond van zijn bevindingen na dit medisch onderzoek heeft hij haar beperkingen en mogelijkheden vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), gedateerd 10 juli 2009. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante gesproken tijdens de telefonische hoorzitting en vele door appellante ingediende medische stukken van onder andere een aantal Turkse artsen en een Nederlandse longarts beoordeeld. Vervolgens is de bezwaarverzekeringsarts bij rapportage van 24 februari 2010 tot de conclusie gekomen dat appellante beperkt moet worden geacht voor arbeid vanwege een bipolaire stoornis, fibromyalgie, OSAS, interstitiële pneumonitis, hartklepinsufficiëntie en hyperventilatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens uitgebreid toegelicht dat met de FML van 10 juli 2009 de mogelijkheden en beperkingen van appellante juist zijn ingeschat en dat er geen concrete aanwijzingen zijn ten opzichte van de beoordeling in 2006 voor een wezenlijke verslechtering van het algemeen ziektebeeld en daardoor voor toegenomen beperkingen.

3.3. Naar aanleiding van een brief van appellante van 24 september 2010, waarin zij aangaf dat zij toegenomen arbeidsongeschikt is, heeft het Uwv bij besluit van 7 juli 2011 geweigerd om de WGA-vervolguitkering te verhogen. Bij besluit van 14 december 2011 is het door appellante tegen het besluit van 7 juli 2011 gemaakte bezwaar echter gegrond verklaard en heeft het Uwv vastgesteld dat voor haar met ingang van 7 juli 2011 recht is ontstaan op een IVA-uitkering.

3.4. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding voor twijfel aan de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen in verband met OSAS. Terecht heeft de rechtbank zich achter de toelichting van de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat de enkele toename van de AHI van 26,7 naar 28,7 onvoldoende is voor het aannemen van extra beperkingen naast de reeds aangenomen urenbeperking van 20 uur per week. Appellante heeft ook in hoger beroep niet nader onderbouwd met medische informatie dat de beperkingen ten gevolge van OSAS ernstiger zijn dan aangenomen.

3.5. Ook ten aanzien van de psychische beperkingen van appellante ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel aan de FML van 10 juli 2009. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet gebleken is van adl-afhankelijkheid. Appellante heeft in hoger beroep geen medische onderbouwing ingediend ter staving van haar standpunt.

3.6. Ten aanzien van de klachten van chronische bronchitis en astma heeft de verzekeringsarts R. Borret in zijn rapportage van 4 november 2010/6 juni 2011, in het kader van de beoordeling van de bij brief van 24 september 2010 door appellante gemelde toegenomen arbeidsongeschiktheid, vastgesteld dat bij de eerdere beoordeling ten aanzien van

1 september 2009 ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen voor koude, prikkelende dampen en stof in verband met de destijds al bekende astma. Hij heeft de door hem opgestelde FML van 5 juli 2011 (met beperkingen ten aanzien van koude en prikkelende dampen en stof) dan ook uitdrukkelijk mede van toepassing verklaard op 1 september 2009. De bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft vervolgens in haar rapportage van 28 november 2011 toegelicht dat terecht extra beperkingen zijn opgenomen in de FML van 5 juli 2011 in verband met de diagnose bronchitis. Gelet op deze rapportages en de in het dossier aanwezige informatie van de Turkse longarts dr. Necip M. Küçükosmanoglu van 2 maart 2011 is de Raad van oordeel dat in de FML van 10 juli 2009 ten onrechte dergelijke beperkingen niet zijn opgenomen.

3.7. De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij rapportage van 20 april 2010 een toelichting gegeven op de medische geschiktheid van de voor de schatting gebruikte functies van inpakster koekjes, samensteller metaalwaren en produktiemedewerker industrie. De arbeidsdeskundige M.G.P.H. Neis heeft, rekening houdend met de beperkingen ten gevolge van astma en chronische bronchitis, bij rapportage van 7 juli 2011 toegelicht dat deze functies ook op deze punten geschikt zijn te achten voor appellante. De Raad ziet geen aanleiding om de (bezwaar-)arbeidsdeskundigen niet te volgen in hun conclusies. Nu in de voorgehouden functies geen belasting op koude, prikkelende dampen en stof voorkomt ziet de Raad aanleiding om het bestreden besluit in stand te laten nu appellante ondanks de omissie in de FML niet is benadeeld. Wel ziet de Raad in deze gang van zaken aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.8. De opvatting van appellante dat het Uwv - gelet op het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat ten grondslag ligt aan het besluit tot toekenning van de IVA-uitkering per 1 juli 2011 - per de datum in geding, 1 september 2009, een IVA-uitkering dient toe te kennen slaagt niet. Aan appellante is weliswaar een IVA-uitkering toegekend per 1 juli 2011, maar hieraan ligt naast een medische beoordeling ook een arbeidskundige beoordeling ten grondslag. Gelet op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P.W.A. Thoen van 6 december 2011 heeft niet de medische geschiktheid van de functies, maar de indexering van het maatmaninkomen een doorslaggevende rol gespeeld bij de vaststelling van het hogere arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 juli 2011.

3.9. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

3.10. Gelet op de overweging onder 3.7 is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en tot een bedrag van € 437,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 874,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 874,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Brand en R. C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M.R. Schuurman