Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
09-478 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het nieuwe besluit ter uitvoering van de tussenuitspraak is geheel tegemoet gekomen. Wettelijke rente. Proceskostenveroordeling. Overschrijding redelijke termijn in de rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/478 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 december 2008, 06/6352 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], (appellanten)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 31 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. P.W.G.J. de Haas hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2009. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. H.J.A. Aerts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.L. Clemens.

Het onderzoek is ter zitting geschorst. Betrokkene is in de gelegenheid gesteld haar beroepschrift nader te onderbouwen met een rapport van een psychiater.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 5 augustus 2011. Namens appellanten is verschenen [A.B. ], bijgestaan door mr. De Haas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.O.F. Oosterbos.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 24 februari 2012. Daarbij zijn dezelfde personen verschenen als ter zitting van 5 augustus 2011.

Na een tussenuitspraak van de Raad van 6 april 2012, LJN BW1751, heeft het Uwv op 7 mei 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Desgevraagd heeft mr. De Haas bericht dat appellanten zich volledig kunnen verenigen met het nieuwe besluit van 7 mei 2012.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 6 april 2012 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.

2.1. De Raad stelt vast dat het Uwv met het besluit van 7 mei 2012 materieel bezien geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van betrokkene. Immers het besluit van 28 november 2006 (bestreden besluit), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit dat voor betrokkene per 31 juli 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), is ingetrokken. Na heroverweging heeft het Uwv vastgesteld dat betrokkene achteraf bezien met ingang van 31 juli 2006 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als gevolg waarvan zij met ingang van 31 juli 2006 recht heeft op een zogenoemde IVA-uitkering.

2.2. Hiermee heeft het Uwv de onrechtmatigheid van het bestreden besluit erkend. In een dergelijk geval is het belang bij een beoordeling in hoger beroep in beginsel komen te vervallen, tenzij van een dergelijk belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu door appellanten een zodanig verzoek is gedaan, bestaande uit vergoeding van de wettelijke rente vanwege te laat betaalde uitkeringen, vergoeding van proceskosten en schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn, hebben zij belang behouden bij een vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, zodat de Raad daartoe zal overgaan.

2.3. Nu met het besluit van 7 mei 2012 aan het beroep geheel is tegemoetgekomen, wordt het beroep ingevolgde artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb niet mede gericht geacht tegen dat besluit. Het besluit van 7 mei 2012 wordt mitsdien niet in het hoger beroep meegenomen.

2.4. Het verzoek van appellanten om het Uwv te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de ten onrechte niet genoten uitkering op grond van artikel 8:73 van de Awb komt voor toewijzing in aanmerking. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellanten toekomende wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar artikel 4:102 van de Awb en zijn uitspraak van 25 januari 2012, LJN BV1958.

2.5. Er zijn termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep, op € 1288,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 980,-- voor de kosten van het namens betrokkene ingebrachte rapport van de psychiater A.R. Hertroijs.

2.6.1. Met betrekking tot het verzoek van appellanten om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, LJN BH1009 van belang.

2.6.2. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 10 augustus 2006 van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van deze uitspraak zijn ruim zes jaar verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling in bezwaar door het Uwv vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 10 augustus 2006 tot het besluit van 28 november 2006 ruim drie maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 29 december 2006 tot de uitspraak op 30 december 2008 twee jaar geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 19 januari 2009 tot deze uitspraak drie jaar en ruim zeven maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden. Dit geeft aanleiding om het verzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade als onder 2.4 is vermeld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1610,-- en in de kosten van de rapportage van Hertroijs tot een bedrag van

€ 980,--;

- bepaalt dat het Uwv aan appellanten het betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 12/4781 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) I.J. Penning