Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
11-85 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdelijke gehele weigering WW-uitkering. Opzegtermijn. Benadelinghandeling. Appellante wist niet dat de CAO regels bevat voor het wijzigen van het arbeidspatroon, noch dat voor de werkgever een opzegtermijn van vier maanden gold. Het moet voor appellante haalbaar zijn geweest om, toen de werkgever haar werktijden in voor haar onaanvaardbare zin eenzijdig wijzigde zonder enigszins aan haar bezwaren tegemoet te komen en appellante zich genoodzaakt voelde mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, naleving van de opzegtermijn dan wel een vergoeding ter hoogte van (een deel van) de opzegtermijn te vorderen. In het kader van de vaststellingsovereenkomst had van appellante verlangd kunnen worden dat zij hierop had aangedrongen. Van omstandigheden op grond waarvan appellante haar gedraging niet in overwegende mate kan worden verweten is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/85 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 25 november 2010, 09/1030 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Faas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2012. Appellante en haar gemachtigde zijn verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is met ingang van 1 februari 2009 als sociotherapeut-verpleegkundige in dienst getreden van Stichting Psychotherapeutisch centrum “[naam centrum]” te [vestigingsplaats] (werkgever). De arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgesteld en regelt een opzegtermijn voor de werkgever van vier maanden. Appellante had gesolliciteerd op een functie bij de dagbehandeling omdat daar vaste werktijden golden, te weten overdag en alleen op doordeweekse dagen. Vanaf 1 februari 2009 werkte zij volgens dat rooster. In mei 2009 heeft de werkgever appellante kenbaar gemaakt dat er met ingang van 1 juli 2009 in verband met een reorganisatie voor haar geen plaats meer was op de dagbehandeling en dat zij vanaf die datum flexibel zou worden ingezet op andere afdelingen van “[naam centrum]”, wat inhield dat zij ook avond-, nacht- en weekenddiensten zou moeten gaan doen. Omdat dit bij appellante op onoverkomelijke bezwaren stuitte in verband met de gezondheidssituatie van haar toen achtjarige zoontje en gesprekken met haar leidinggevende niet tot een oplossing leidden, hebben appellante en de werkgever op 18 juni 2009 een vaststellingovereenkomst gesloten, waarin zij zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigde met ingang van 1 juli 2009.

1.2. Appellante heeft op 23 juni 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 22 juli 2009 heeft het Uwv haar voor die uitkering in aanmerking gebracht met ingang van 1 juli 2009, maar tevens bepaald dat de uitkering pas met ingang van 1 november 2009 wordt uitbetaald. Bij besluit van 23 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 22 juli 2009 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan de tijdelijke gehele weigering van de WW-uitkering tot 1 november 2009 ten grondslag gelegd dat appellante een benadelinghandeling in de zin van artikel 24, vijfde lid, van de WW heeft gepleegd, omdat in de vaststellingsovereenkomst geen rekening is gehouden met de opzegtermijn van vier maanden die de werkgever in acht had moeten nemen en appellante tegen een beëindiging op kortere termijn niet heeft geprotesteerd, noch heeft gevraagd om een vergoeding ter hoogte van vier maanden salaris.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat voor appellante een ontslagvergoeding ter dekking van de overeengekomen opzegtermijn haalbaar moet zijn geweest. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellante bij haar indiensttreding mondeling met de werkgever was overeengekomen dat zij vanwege de zorg voor haar kind op vaste tijden en uitsluitend overdag zou werken, op welke afspraak de werkgever na korte tijd eenzijdig is teruggekomen.

3. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat een vordering tegen de werkgever kansloos was, nu deze zich onwrikbaar opstelde, de mondeling gemaakte afspraken over haar werktijden niet erkende en haar met ontslag dreigde indien zij zou weigeren te werken op andere tijden dan zij gewend was. Appellante bevond zich naar haar zeggen in een onmogelijke positie, omdat variabele werktijden voor haar niet haalbaar waren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader verwijst de Raad naar rechtsoverweging 1 van de aangevallen uitspraak. Verder zijn nog van belang de artikelen 2, eerste lid, aanhef en onder d en 7, aanhef en onder a, van het op artikel 27, tiende lid, van de WW gebaseerde Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten van 23 augustus 2007, Stb. 304, en de bijlage bij de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 van 29 september 2006, Stcrt 2006, 190. Op grond daarvan bedraagt de maatregel in geval van overtreding van artikel 24, vijfde lid, van de WW in een situatie als die van appellante een weigering van de gehele uitkering voor de duur dat zij de aanspraak op loon zou hebben kunnen doen gelden, dan wel de dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren.

4.2. Vaste rechtspraak van de Raad is, dat uit de in artikel 24, vijfde lid, van de WW neergelegde verplichting volgt dat van een werknemer die in een situatie verkeert waarin hij beslissingen moet nemen in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, mag worden verwacht dat hij rekening houdt met de consequenties die zijn opstelling heeft voor zijn aanspraken in het kader van de WW en dat hij ernaar streeft om die aanspraken zoveel als redelijkerwijs mogelijk te beperken. De omstandigheid dat een werknemer in het kader van een al dan niet geregelde ontbinding of beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden niet vraagt om een vergoeding ter hoogte van de fictieve opzegtermijn, levert geen benadelingshandeling op. Daarvan kan wel sprake zijn indien het ontvangen van een dergelijke vergoeding haalbaar zou zijn geweest en van de betrokkene verlangd had kunnen worden dat hij daarom had gevraagd. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 16 september 2009, LJN BJ9325, en van 22 juni 2010, LJN BM9398.

4.3. Vast staat dat appellante op de functie van sociotherapeute-verpleegkundige in de dagbehandeling heeft gesolliciteerd vanwege de vaste werktijden overdag en dat zij uitsluitend op die vaste tijden werkzaam is geweest. Toen de werkgever na een paar maanden te kennen gaf appellante vanaf 1 juli 2009 niet langer op vaste tijden te kunnen inroosteren, heeft appellante vier gesprekken gevoerd met haar leidinggevende, waarin zij haar belang bij vaste werktijden overdag wederom onder de aandacht heeft gebracht. Die gesprekken hebben er niet toe geleid dat de werkgever afzag van de voorgenomen wijziging van appellantes werktijden met ingang van 1 juli 2009.

4.4. Appellante heeft zich, zo heeft zij desgevraagd ter zitting verklaard, ter voorbereiding van de gesprekken over de vaststellingsovereenkomst niet verdiept in haar rechtspositie, zoals neergelegd in de schriftelijke arbeidsovereenkomst en de toepasselijke CAO. Daardoor wist appellante niet dat de CAO regels bevat voor het wijzigen van het arbeidspatroon, noch dat voor de werkgever een opzegtermijn van vier maanden gold. De Raad volgt de rechtbank en het Uwv dat het voor appellante haalbaar moet zijn geweest om, toen de werkgever haar werktijden in voor haar onaanvaardbare zin eenzijdig wijzigde zonder enigszins aan haar bezwaren tegemoet te komen en appellante zich genoodzaakt voelde mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, naleving van de opzegtermijn dan wel een vergoeding ter hoogte van (een deel van) de opzegtermijn te vorderen. In het kader van de vaststellingsovereenkomst had van appellante verlangd kunnen worden dat zij hierop had aangedrongen. Nu appellante dit niet heeft gedaan, hebben de rechtbank en het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd. Van omstandigheden op grond waarvan appellante haar gedraging niet in overwegende mate kan worden verweten is geen sprake.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) K.E. Haan

KR