Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
11-4403 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit. Hij voegt daar wat betreft de conclusie van de rechtbank over de niet-toepasselijkheid van artikel 6:11 van de Awb in dit geval nog aan toe dat appellant zijn standpunt dat het niet tijdig instellen van beroep zou kunnen worden toegeschreven aan zijn gezondheidssituatie niet heeft onderbouwd met overlegging van medische gegevens over die situatie ten tijde van het instellen van beroep. Verder heeft appellant op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het instellen van zijn beroep tegen het bestreden besluit de postbezorging niet vlekkeloos verliep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4403 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juni 2010, 10/1977 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 31 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2010.

Appellant is verschenen, bijgestaan door J. Lewis. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 15 april 2010 appellant een boete opgelegd omdat hij niet aan zijn mededelingsverplichting op grond van artikel 80 van de WAO heeft voldaan. Het Uwv heeft het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 4 oktober 2010 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 4 oktober 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. De rechtbank heeft, na het daarvoor geldende wettelijk kader ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te hebben uiteengezet, aan haar uitspraak de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

“Niet in geschil is dat het besluit van 4 oktober 2010 op diezelfde datum naar het adres van eiser is verzonden, terwijl eiser niet heeft betwist dat hij dat besluit heeft ontvangen. De beroepstermijn is daarmee aangevangen op 4 oktober 2010 en de laatste dag waarop een beroepschrift kon worden ingediend was 15 november 2010.

Het beroepschrift is gedagtekend op 16 november 2010 en op 19 november 2010 ingekomen bij de griffie van de rechtbank.

Ter zitting is van de kant van eiser niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd. Hieruit volgt dat eiser de voor het indienen van een beroepschrift gestelde termijn van zes weken heeft overschreden. Verder is niet gebleken van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die aan niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in de weg zou kunnen staan.”

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de reden van het laten verlopen van de beroepstermijn voor hem niet meer te achterhalen valt maar dat daaraan zo goed als zeker de ook bij het Uwv bekende medische problematiek ten grondslag ligt. Ter zitting is voorts van de zijde van appellant nog gewezen op actuele problemen bij de postbezorging.

4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit. Hij voegt daar wat betreft de conclusie van de rechtbank over de niet-toepasselijkheid van artikel 6:11 van de Awb in dit geval nog aan toe dat appellant zijn standpunt dat het niet tijdig instellen van beroep zou kunnen worden toegeschreven aan zijn gezondheidssituatie niet heeft onderbouwd met overlegging van medische gegevens over die situatie ten tijde van het instellen van beroep. In dit verband wijst de Raad erop dat de gezondheidssituatie van appellant hem kennelijk niet heeft belet om bij brief van 17 mei 2010, ingekomen bij het Uwv op 2 juni 2010 tijdig bezwaar te maken tegen het besluit van 15 april 2010. Ten slotte ziet de Raad er niet aan voorbij dat appellant op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het instellen van zijn beroep tegen het bestreden besluit de postbezorging niet vlekkeloos verliep.

5. Gelet op overweging 4 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) L. van Eijndthoven

KR