Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6233

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
11-2080 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde weigering om terug te komen van het besluit inhoudende intrekking WAO-uitkering. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb. Met nieuwe feiten of veranderde omstandigheden dan wel stukken die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren zijn gekomen of zijn overgelegd, kan geen rekening worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2080 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 maart 2011, 10/829 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 31 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft desgevraagd ontbrekende stukken ingestuurd.

Appellant heeft op 31 november 2011 nadere stukken overgelegd en op 5 juli 2012 nadere gronden ingediend met daarbij gevoegd nadere stukken.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 10 augustus 2012. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als bedradingsmonteur en is op 3 december 1991 uitgevallen met huidproblemen aan beide handen. De aan hem met ingang van 5 november 1992 toegekende volledige uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn bij besluit van 22 juli 1993 met ingang van 18 juli 1993 ingetrokken. Deze intrekking is uiteindelijk rechtens onaantastbaar geworden door de uitspraak van de Raad van 12 december 1995, 95/4317 AAW/WAO.

1.2. Het besluit van 24 april 1997, dat inhoudt een weigering om terug te komen van het besluit van 22 juli 1993 is, na een beroepsprocedure, uiteindelijk bij uitspraak van de Raad van 11 juli 2001, 99/2870 AAWAO, rechtens onaantastbaar geworden. Hetzelfde geldt, na een bezwaar- en een beroepsprocedure, op grond van de uitspraak van de Raad van

24 augustus 2007 (LJN BB2732) voor het besluit van 17 maart 2004 dat ook strekte tot een weigering als bedoeld bij het besluit van 24 april 1997. Aan de besluiten van 24 april 1997 en 17 maart 2004 lag ten grondslag dat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.1. Appellant heeft bij brief van 11 november 2009 - onder overlegging van een aantal stukken - aan het Uwv andermaal verzocht om terug te komen van het besluit van 22 juli 1993. Appellant heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat hij het oneens is met het aan dit besluit ten grondslag liggende rapport van de zenuwarts C.J.F Kemperman van 3 februari 1993. Voorts heeft appellant met name stukken overgelegd over zijn aanvraag in 2009 om een WSW-indicatie, waarvan deel uitmaakt het verslag van een onderzoek door de psycholoog N. Heersma, en brieven van 29 juli en 23 november 2009 van de hem behandelend GZ-psycholoog drs. J. Hoevers.

2.2. De verzekeringsarts L.R. Cornelius heeft in een rapport van 1 maart 2010 vastgesteld dat de diametraal tegenover elkaar staande inschattingen van de huidige belastbaarheid van de psychologen Heersma en Hoevers niet van betekenis zijn voor de belastbaarheid van appellant in 1993. Heersma concludeerde tot ernstige psychische problematiek bij appellant, terwijl Hoevers schreef dat appellant in 2009 is behandeld voor een obsessief-compulsieve stoornis. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 5 maart 2010 het in 2.1 vermelde verzoek van appellant afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat het besluit van 22 juli 1993 onjuist zou zijn.

3. Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 5 maart 2010 gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen op 1 juli 2010 na weging van de relevante gegevens, waartoe hij met name rekent de rapporten van Heersma en Hoevers, de conclusies van Cornelius onderschreven. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 8 juli 2010 het bezwaar van appellant ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 8 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank heeft, na in het licht van artikel 4:6 van de Awb het beoordelingskader voor een verzoek als dat van appellant te hebben uiteengezet, het bestreden besluit onderschreven.

5. In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Voorts heeft hij in het bijzonder zijn standpunt over het rapport van Kemperman toegelicht.

6.1. Gegeven het door de rechtbank geschetste beoordelingskader als bedoeld in 4.2 ziet ook de Raad geen aanleiding het bestreden besluit voor onjuist te houden. Appellant heeft immers aan zijn verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag gelegd. Dat appellant het - onder andere met een beroep op de rapporten van Hoevers - niet eens is met het rapport van Kemperman maakt dit niet anders. Zoals Cornelius reeds opmerkte, zien de rapporten van Hoevers, die ter informatie zijn uitgebracht in het kader van de procedure naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een WSW-indicatie, op de gezondheidssituatie van appellant in 2009. Gelet hierop laat de Raad verder onbesproken wat er zij van de vaststelling van Cornelius dat de conclusies van Hoevers en Heersma diametraal tegenover elkaar staan.

6.2. De Raad laat verder ook onbesproken de in hoger beroep door appellant overgelegde stukken. In het kader van de rechterlijke toetsing van een met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluit dient immers volgens zijn vaste rechtspraak - bijvoorbeeld zijn uitspraken van 30 maart 2004 (LJN AO8674) en 14 september 2007 (LJN BB3594) - met nieuwe feiten of veranderde omstandigheden dan wel stukken die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren zijn gekomen of zijn overgelegd, geen rekening te worden gehouden.

6.3. De Raad heeft ook geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het Uwv bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek onder verwijzing naar in dit geval het besluit van 22 juli 1993, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel.

6.4. De overwegingen 6.1 tot en met 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) L. van Eijndthoven

KR