Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
10-6922 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht ontstaan op WIA-uitkering. Gezondheidstoestand is op een zorgvuldige wijze beoordeeld door de verzekeringsartsen. Voor het overige bestaan de bezwaren van appellant uit klachten over de bejegening van Uwv-medewerkers zoals hij die heeft ervaren. Gelet op het wettelijk kader van de Wet WIA kan in dergelijke bejegeningsklachten geen aanleiding worden gevonden de inhoudelijke beoordeling voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6922 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 november 2010, 10/2648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 31 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 9 juni 2010, waarbij het Uwv - beslissend op bezwaar - heeft vastgesteld dat er voor appellant per 8 december 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het Uwv zich bij het besluit van 9 juni 2010 heeft kunnen baseren op de omtrent appellant door de (bezwaar)verzekeringsarts en de (bezwaar)arbeidsdeskundige uitgebrachte rapportages.

1.2. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant per 8 december 2009.

1.3. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn.

2. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat het hem niet gaat om een andere of hogere uitkering. Hij is van mening dat hij geen zorgvuldige behandeling heeft gehad. Ter toelichting heeft appellant een groot aantal tot het dossier behorende stukken, voorzien van commentaar en vraagtekens, aan de Raad toegezonden.

3.1. De Raad volgt appellant niet in de stelling dat zijn gezondheidstoestand niet op een zorgvuldige wijze is beoordeeld door de verzekeringsartsen van het Uwv. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat beide verzekeringsartsen onderzoek hebben verricht en de beschikbare medische informatie bij hun beoordeling hebben betrokken.

De omstandigheid dat de verzekeringsarts in haar uitnodiging van appellant voor een gesprek op 11 december 2009 om 10.00 uur een onjuist bezoekadres van het Uwv heeft genoemd [adres 1] in plaats van [adres 2]), doet niet af aan de zorgvuldigheid van de inhoudelijke beoordeling, nu deze onjuistheid er niet toe heeft geleid dat appellant niet is onderzocht.

3.2. Voor het overige bestaan de bezwaren van appellant uit klachten over de bejegening van Uwv-medewerkers zoals hij die heeft ervaren. Gelet op het wettelijk kader van de Wet WIA kan in dergelijke bejegeningsklachten geen aanleiding worden gevonden de inhoudelijke beoordeling voor onjuist te houden. De omstandigheid dat appellant naar hij ter zitting heeft gesteld geen gebruik wenst te maken van de klachtenprocedure ter zake van bejegening is niet van invloed op hetgeen hiervoor is overwogen.

3.3. Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) I.J. Penning

GdJ