Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
12-6 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van besluit inzake grondslag WUV-uitkering. Duuraanspraak. Wat betreft de periode voorafgaande aan de nieuwe aanvraag moet de bestuursrechter zich in beginsel beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, waarvan geen sprake is. Verweerder heeft wat betreft het tijdvak na de nieuwe aanvraag bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak 30 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 december 2011, kenmerk BZ01381672. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2012. Appellant is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1948 in het voormalige Nederlands-Indië, is met toepassing van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wuv, gelijkgesteld met de vervolgde. In die hoedanigheid is aan hem met ingang van 1 januari 1994 een periodieke uitkering toegekend. De grondslag van die uitkering is met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wuv, bepaald op het minimumbedrag, omdat appellant in het peiljaar 1994 niet was aangewezen op inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf.

1.2. Het door appellant tegen deze grondslag ingestelde beroep is door de Raad bij uitspraak van 7 mei 1997, nr. 95/4165 WUV, ongegrond verklaard. Op een in mei 1997 ingediend verzoek om herziening van deze uitspraak heeft de Raad bij uitspraak van 25 juni 1998, nr. 97/6253 WUV, afwijzend beslist.

1.3. Appellant heeft in augustus 2002 verzocht de grondslag van zijn periodieke uitkering te herzien. Hierop is bij besluit van verweerder van 14 maart 2003 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2003. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

1.4. In mei 2011 heeft appellant opnieuw verzocht de grondslag van zijn periodieke uitkering te herzien. Hierop is bij besluit van 1 september 2011 afwijzend beslist. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het in dit geding bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Het onder 1.4 genoemde verzoek van appellant tot wijziging van de grondslag strekt er (opnieuw) toe dat verweerder terugkomt van de bij het onder 1.1 genoemde besluit vastgestelde grondslag. Dit verzoek is door verweerder terecht aangemerkt als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 61, tweede lid, van de Wuv. Op grond van die bepaling is verweerder bevoegd een eerder gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dit houdt in dat de Raad de wijze waarop verweerder van die bevoegdheid gebruik maakt terughoudend moet toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig ander licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.

2.2. In dit geval is een duuraanspraak in het geding, waarbij bij de toetsing een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250 en TAR 2001,43). Wat betreft de periode voorafgaande aan de nieuwe aanvraag moet de bestuursrechter zich in beginsel beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna zal het in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

2.3. Naar aanleiding van het onder 1.4 genoemde verzoek om herziening heeft verweerder de zaak opnieuw bezien, maar dit heeft niet tot een andere uitkomst geleid.

2.4. De Raad is van oordeel dat verweerder wat betreft het tijdvak na de nieuwe aanvraag bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing heeft kunnen komen. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn thans in geding zijnde verzoek om herziening aangevoerd dat hij al per 1 oktober 1975 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is verklaard in het kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en dat in het kader van die wet met toepassing van artikel 25, tweede lid, langere terugwerkende kracht aan die uitkering is verstrekt. Appellant heeft verder gewezen op de door de psychiater Tilanus in 1995 uitgebrachte rapporten. Verweerder heeft echter terecht overwogen dat dit geen gegevens zijn die niet al zijn betrokken bij de eerdere besluitvorming en procedures. Over de periode vóór 1994 zijn nog steeds geen objectieve medische gegevens beschikbaar, zodat niet is gebleken dat al eerder dan in 1994 sprake was van invalidering op grond van in verband met de vervolging van de ouders van appellant staande psychische klachten. In 1994 was appellant niet aangewezen op inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf.

2.5. Het vorenstaande betekent dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van de eerdere besluiten terug te komen. Ook anderszins is in hetgeen door appellant is aangevoerd geen aanleiding gevonden om aan te nemen dat verweerder bij het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

3. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) M.R. Schuurman

HD