Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
10-1805 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding schuld. Aan het intrekkingsbesluit en de daaruit voortvloeiende terugvordering ligt ten grondslag dat appellant arbeid in dienstbetrekking is gaan verrichten waarvan de inkomsten boven de voor hem geldende bijstandsnorm liggen. Het college heeft aan het thans bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de terugvordering is ontstaan omdat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en schending van de inlichtingenverplichting rechtens vaststaat. Ter zitting heeft het college erkend dat de intrekking van de bijstand niet op die grondslag is gebaseerd. Het bestreden besluit berust hierdoor niet op een deugdelijke grondslag. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging van het bestreden besluit. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. Het standpunt van appellant dat hij niet zwart heeft gewerkt en dat hij zijn inkomsten wel heeft doorgegeven is niet onderbouwd met de in hoger beroep overgelegde stukken. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand worden gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1805 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2010, 09/5242 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college)

Datum uitspraak: 28 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 24 juni 2010 heeft mr. A.N. Pattynama, advocaat, zich als gemachtigde van appellant gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A. Hitipeuw en R.P. Langenberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 2 juni 2005 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 3 januari 2005 ingetrokken omdat hij vanaf die datum arbeid in dienstbetrekking is gaan verrichten waarvan de inkomsten boven de voor hem geldende bijstandsnorm liggen. De over de periode van 3 januari 2005 tot en met 30 april 2005 gemaakte kosten van bijstand zijn tot een bedrag van € 2.669,85 netto van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 8 maart 2006 heeft het college de onder 1.2 genoemde vordering, die als nummer 12031 is geregistreerd, per 31 december 2005 gebruteerd naar een bedrag van € 3.471,35.

1.4. Appellant heeft bij brief van 17 april 2009 het college verzocht om kwijtschelding van zijn schulden op grond van de WWB.

1.5. Bij besluit van 22 april 2009 heeft het college het verzoek om kwijtschelding afgewezen.

1.6. Bij besluit van 23 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2009 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt, samengevat, ten grondslag dat vordering 12031 is ontstaan omdat appellant de van 3 januari 2005 tot 1 mei 2005 verkregen inkomsten uit arbeid via een uitzendbureau niet aan het college heeft opgegeven. Appellant heeft tegen deze terugvordering geen rechtsmiddelen aangewend waardoor de terugvordering, waaraan schending van de inlichtingenverplichting ten grondslag ligt, in rechte onaantastbaar is geworden.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant tegen de onder 1.2 en 1.3 genoemde besluiten geen rechtsmiddelen heeft aangewend, zodat deze besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden. Hiermee staat vast dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij in de periode van 3 januari 2005 tot en met 30 april 2005 niet zwart heeft gewerkt en dat hij zijn inkomsten wel heeft doorgegeven aan de sociale dienst. Ter ondersteuning zijn informatieformulieren over de maanden januari 2005 tot en met mei 2005 overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Aan het intrekkingsbesluit van 2 juni 2005 en de daaruit voortvloeiende terugvordering ligt ten grondslag dat appellant arbeid in dienstbetrekking is gaan verrichten waarvan de inkomsten boven de voor hem geldende bijstandsnorm liggen. Het college heeft aan het thans bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de terugvordering is ontstaan omdat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en schending van de inlichtingenverplichting rechtens vaststaat. Ter zitting heeft het college erkend dat de intrekking van de bijstand niet op die grondslag is gebaseerd. Hiermee is gegeven dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke grondslag en wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. Dit betekent dat ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad zal vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

4.2. Het college heeft ter zitting toegelicht dat op grond van de Beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Amstelveen in het geval van een vordering wegens fraude geen kwijtschelding plaatsvindt. Naar aanleiding van een signaal van de belastingdienst heeft het college onderzoek gedaan naar de inkomsten van appellant en is navraag gedaan bij het uitzendbureau. Uit een rapport van mei 2005 is gebleken dat appellant vanaf 3 januari 2005 met werkzaamheden via het uitzendbureau meer is gaan verdienen dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Appellant heeft deze inkomsten niet maandelijks opgegeven en heeft daarvan ook geen schatting gegeven zodat het college in staat zou zijn achteraf te verrekenen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. Het standpunt van appellant dat hij niet zwart heeft gewerkt en dat hij zijn inkomsten wel heeft doorgegeven is niet onderbouwd met de in hoger beroep overgelegde stukken. Uit die stukken blijkt dat hij alleen zijn inkomsten uit arbeid in een periode vóór de eerste week van januari 2005 heeft opgegeven en dat hij voor de periode van 3 januari 2005 tot en met 31 mei 2005 enkel sollicitatieactiviteiten heeft vermeld. Bovendien heeft appellant op alle formulieren bij de beantwoording van vraag 9 of hij arbeid in dienstbetrekking heeft verricht “nee” aangekruist.

4.3. Het vorenstaande betekent dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 oktober 2009;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J. De Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) J. de Jong

HD