Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6162

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
10/5639 WWB + 10/5640 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Het college heeft bij zijn besluitvorming ten onrechte het GGD-advies van 16 oktober 2006, waarin appellant in staat werd geacht fulltime te werken, doorslaggevend geacht. Het advies van de GGD van 23 september 2009 biedt immers voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van appellanten dat appellant op 10 juni 2009 vanwege rugklachten niet in staat was fulltime te werken. Ook het advies van Argonaut van 10 september 2009, waarin naar voren komt dat appellant toen belastbaar was voor vier uur per dag in rugsparend werk biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant op 10 juni 2009 in staat was fulltime te werken. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging van het bestreden besluit. De Raad herrpet het primaire besluit voor zover daarbij de bijstand is verlaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5639 WWB, 10/5640 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2010, 10/153 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te Brielle

het college van burgemeester en wethouders van Brielle (college)

Datum uitspraak: 28 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het college de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke Sociale Dienst Voorne-Putten-Rozenburg (dagelijks bestuur) werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder college tevens verstaan het dagelijks bestuur.

Namens appellanten heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2012. Voor appellanten is mr. Schroeder verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen sinds 10 september 2006 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de WWB. Voor appellant gelden de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB, met dien verstande dat rekening wordt gehouden met de door de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zuidhollandse eilanden (GGD) in een advies van 16 oktober 2006 vastgestelde beperkingen. In dat advies is vermeld dat appellant is aangewezen op rugsparende werkzaamheden en dat hij fulltime inzetbaar is.

1.2. Appellant is op 9 juni 2009 door een uitstroomconsulent van het college gewezen op een vacature voor de functie van bestuurder van een poepscooter (vacature). Het betreft een dienstverband voor 40 uur per week. Appellant heeft op 10 juni 2009 over deze vacature contact gehad met een medewerker van het Werkbedrijf van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het UWV heeft aan het college gerapporteerd dat appellant niet geïnteresseerd was in de vacature, gelijk met rugklachten kwam en niet gemotiveerd was. Appellant is door de klantmanager op 15 juni 2009 telefonisch aangesproken op zijn gedrag op 10 juni 2009. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij zich correct had gedragen en dat hij de functie waarop de vacature ziet, niet passend vond. Er is toen afgesproken dat het college aan de GGD opnieuw advies over zijn arbeidsmogelijkheden vraagt. Op 22 juni 2009 heeft appellant een gesprek gehad met een verzuimcoördinator. Appellant heeft toen verklaard dat hij rugklachten heeft en niet in staat is 40 uur per week te werken.

1.3. Bij besluit van 23 juli 2009, voor zover van belang, heeft het college de bijstand met ingang van 1 juli 2009 verlaagd met 50% gedurende een maand. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant tijdens het gesprek met de medewerker van het UWV op 10 juni 2009 te kennen heeft gegeven niet geïnteresseerd te zijn in de vacature en daardoor zijn arbeidsinschakeling heeft belemmerd.

1.4. De GGD heeft, na een daartoe strekkend verzoek van het college van 17 juni 2009, op 25 augustus 2009 advies uitgebracht over de arbeidsmogelijkheden van appellant. Uit dat advies blijkt onder meer dat de sociaal geneeskundige van de GGD appellant op 2 juli 2009 tijdens het spreekuur heeft gezien. De sociaal geneeskundige komt tot de conclusie dat appellant is aangewezen op rugsparende werkzaamheden en om medische reden maximaal twintig uur per week kan werken. Het college heeft vervolgens Argonaut Advies (Argonaut) gevraagd te adviseren over de arbeidsmogelijkheden van appellant. Argonaut heeft een op 10 september 2009 en 28 september 2009 gedateerd advies uitgebracht. Uit dat advies blijkt dat de bedrijfsarts van Argonaut appellant op 10 september 2009 heeft gezien. De bedrijfsarts komt tot de conclusie dat appellant op dat moment voor vier uur per dag belastbaar is in passend, rugsparend werk, dat hij daarbij aan fysiofitness moet doen en het werken dan in de loop van drie maanden uitgebreid kan worden naar fulltime werk. Op 23 september 2009 heeft de GGD het advies van 25 augustus 2009 herzien. De sociaal geneeskundige van de GGD komt tot de conclusie dat appellant is aangewezen op rugsparende werkzaamheden en belastbaar is voor twintig tot 25 uur per week. In het advies wordt verder vermeld dat appellant over zes maanden ter evaluatie van de fysiotherapeutische behandeling herbeoordeeld kan worden.

1.5. Bij besluit van 30 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2009 ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB op hem rustende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden niet of onvoldoende is nagekomen. Voor appellant gold op 10 juni 2009, gelet op het GGD advies van 16 oktober 2006, de verplichting om naar vermogen fulltime arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden. Desondanks heeft appellant tijdens het gesprek met de medewerker van het UWV op 10 juni 2009 te kennen gegeven niet geïnteresseerd te zijn in de vacature omdat hij vanwege rugklachten niet fulltime beschikbaar is voor werk.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat appellant op 10 juni 2009 vanwege zijn rugklachten niet fulltime kon werken. Zij beroepen zich daarbij op de adviezen van de GGD van 25 augustus 2009 en 23 september 2009.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 10 juni 2009 is uitgenodigd te solliciteren op de vacature en dat appellant heeft geweigerd dat te doen en daarvoor als reden heeft gegeven dat hij vanwege rugklachten niet fulltime kon werken. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of appellant met zijn krachten op 10 juni 2009 in staat was de fulltime functie waarop de vacature betrekking had, te vervullen.

4.2. Het college heeft bij zijn besluitvorming ten onrechte het GGD-advies van 16 oktober 2006, waarin appellant in staat werd geacht fulltime te werken, doorslaggevend geacht. Het advies van de GGD van 23 september 2009 biedt immers voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van appellanten dat appellant op 10 juni 2009 vanwege rugklachten niet in staat was fulltime te werken. Zoals onder 1.4 is vermeld komt in dat advies naar voren dat appellant is aangewezen op rugsparende werkzaamheden en belastbaar is voor twintig tot 25 uur per week. De door de arts van de GGD gebezigde motivering is overtuigend. Het advies geeft blijk van zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Van betekenis in dit verband is dat het advies is gebaseerd op eigen onderzoek door de GGD-arts en informatie van de huisarts, dat in het advies is samengevat welke informatie de huisarts heeft verstrekt en dat intern overleg binnen het GGD-SMA-team heeft plaatsgehad. Weliswaar ziet het advies van de GGD van 23 september 2009 op de toestand van appellant op 2 juli 2009, maar er is geen reden om aan te nemen dat appellant enkele weken eerder, op 10 juni 2009, wel in staat was fulltime te werken. Van betekenis is in dit verband dat in het advies is vermeld dat bij een onderzoek in 2008 bij appellant meer rugafwijkingen werden gevonden dan bij een onderzoek in 2004 en dat sprake is van een langzame verergering van de anatomische afwijking. Ook het advies van Argonaut van 10 september 2009, waarin naar voren komt dat appellant toen belastbaar was voor vier uur per dag in rugsparend werk biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant op 10 juni 2009 in staat was fulltime te werken. Dat in het advies van Argonaut is vermeld dat appellant fysiofitness moet doen en het werken dan in de loop van drie maanden kan worden uitgebreid, maakt dat niet anders.

4.3. De rechtbank heeft hetgeen onder 4.2 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Tevens bestaat aanleiding het besluit van 23 juli 2009, voor zover daarbij de bijstand is verlaagd, te herroepen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 874,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 november 2009;

- herroept het besluit van 23 juli 2009, voor zover daarbij de bijstand is verlaagd en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 30 november 2009;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten in bezwaar tot een bedrag van € 644,-- en in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.748,--, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) R. Scheffer

HD