Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6149

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
11-2451 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Nu appellant, zonder bericht van verhindering, geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor het gesprek om duidelijkheid te verschaffen over zijn woonsituatie en financiële situatie, heeft appellant de ingevolge artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting geschonden. Aangezien appellant ook nadien de voor de inwilliging van zijn aanvraag benodigde gegevens niet heeft verstrekt, kan als gevolg van die schending het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2451 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 april 2011, 10/4398 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Ede (college)

Datum uitspraak 28 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Hendrickx, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2012. Voor appellant is verschenen mr. K.M.S. Bal, kantoorgenoot van mr. Hendrickx. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving tot 26 maart 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft zich op 18 juni 2010 gemeld om bijstand aan te vragen. Op 22 juni 2010 heeft hij een aanvraag ingediend om bijstand met ingang van 8 april 2010. Hij heeft daarbij opgegeven te wonen op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college een onderzoek ingesteld. In dat kader is op 7, 8, 15 en 19 juli 2010 getracht een huisbezoek af te leggen aan het uitkeringsadres. Appellant is bij deze onaangekondigde huisbezoeken niet op het uitkeringsadres aangetroffen. Op 19 juli 2010 is appellant opgeroepen voor een gesprek op 20 juli 2010 om 13.00 uur. Appellant heeft zich telefonisch voor dit gesprek afgemeld. Op 20 juli 2010 hebben twee fraudepreventiemedewerkers in de brievenbus op het uitkeringsadres een uitnodiging voor een gesprek op 21 juli 2010 om 9.30 uur gedeponeerd. Appellant is op 21 juli 2010 zonder bericht van verhindering niet verschenen. Bij besluit van 28 juli 2010 heeft het college de aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld.

1.2. Bij besluit van 9 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2010 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de aanvraag niet buiten behandeling wordt gesteld, maar wordt afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de ingevolge artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft daartoe overwogen dat er onduidelijkheid bestond over de woonsituatie van appellant en zijn bankopnames, bestedingspatroon en schulden. Appellant is uitgenodigd voor een gesprek op 21 juli 2010 om hem de gelegenheid te geven duidelijkheid te verschaffen, maar appellant heeft zonder bericht van verhindering aan die uitnodiging geen gehoor gegeven. Het college heeft het verzoek van appellant om een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen over griffierecht en kosten - het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar betreft.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij heeft aangevoerd dat de termijn waarop het college hem heeft opgeroepen om duidelijkheid te verschaffen over zijn woonsituatie en financiële situatie onredelijk kort was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het bestreden besluit betreft de afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen onder meer over zijn woon- en verblijfplaats en over zijn financiële situatie. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2. Uit de gedingstukken blijkt dat bij het college naar aanleiding van de aanvraag van appellant onduidelijkheid bestond over de woon- en verblijfplaats van appellant en over zijn financiële situatie. Appellant is bij een op 20 juli 2010 door twee fraudepreventie- medewerkers in de brievenbus op het uitkeringsadres gedeponeerde brief opgeroepen voor een gesprek op 21 juli 2010 om 9.30 uur om de nodige duidelijkheid te verschaffen. Gelet op de toelichting van het college ter zitting is aannemelijk dat de betreffende brief in de loop van de middag van 20 juli 2010 is bezorgd. Deze termijn van nog geen dag om gehoor te geven aan een schriftelijke oproep om te verschijnen is onredelijk kort. De omstandigheid dat appellant eerder vier maal niet thuis is aangetroffen toen de fraudepreventiemedewerkers poogden een huisbezoek te brengen, maakt dat niet anders. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat aan appellant, toen hij afbelde voor het gesprek op 20 juli 2010 om 13.00 uur, te kennen is gegeven dat hij een nieuwe schriftelijke uitnodiging zou ontvangen.

4.3. De Raad ziet echter geen aanleiding om hieraan consequenties te verbinden. Appellant heeft immers in zijn bezwaarschrift van 2 augustus 2010 te kennen gegeven dat hij ‘door omstandigheden’ de brief van 20 juli 2010 pas op 30 juli 2010 onder ogen heeft gekregen. Appellant heeft op geen enkele wijze geconcretiseerd of nader onderbouwd welke omstandigheden hem hebben belet de brief van 20 juli 2010 eerder dan 30 juli 2010 onder ogen te krijgen. Het voorgaande impliceert dat als het college appellant op 20 juli 2010 schriftelijk had opgeroepen voor een gesprek met inachtneming van een redelijk te achten termijn van enkele dagen, appellant ook dan aan die oproep geen gehoor zou hebben kunnen geven.

4.4. Nu appellant, zonder bericht van verhindering, geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor het gesprek op 21 juli 2010 om duidelijkheid te verschaffen over zijn woonsituatie en financiële situatie, heeft appellant de ingevolge artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting geschonden. Aangezien appellant ook nadien de voor de inwilliging van zijn aanvraag benodigde gegevens niet heeft verstrekt, kan als gevolg van die schending het recht op bijstand over de hier te beoordelen periode, die loopt van 8 april 2010 tot en met 9 november 2010, niet worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag van 22 juni 2010 dan ook terecht afgewezen.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) R. Scheffer

HD