Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6137

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
11-2305 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing en tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag wegens plichtsverzuim bestaande uit het onder werktijd in uniform slapen in een dienstauto op de openbare weg. De ten uitvoerlegging houdt verband met een aantal gedragingen van appellant, met als directe aanleiding dat appellant zich ernstig zou hebben misdragen door zich agressief en ongezeglijk op te stellen toen hij werd aangesproken op zijn functioneren. Niet gebleken dat appellant in een zodanige psychische toestand verkeerde dat zijn gedrag hem niet kan worden toegerekend. Het college heeft in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om appellant in verband met het ontslagvoornemen te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/21

Uitspraak

11/2305 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2011, 10/3423 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 30 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. Hoendermis hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Siksma en mr. Hoendermis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C. Holtkamp.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1 mei 1996 werkzaam bij de dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam, vanaf september 2008 in de functie van [naam functie].

1.2. Het college heeft bij besluit van 10 september 2008 appellant de straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het onder werktijd in uniform slapen in een dienstauto op de openbare weg. Bepaald is dat deze straf pas ten uitvoer wordt gelegd indien appellant zich binnen een proeftijd van anderhalf jaar (te rekenen van

10 september 2008) opnieuw schuldig maakt aan soortgelijk, dan wel enig ander ernstig plichtsverzuim. In dit besluit heeft appellant berust.

1.3. Bij besluit van 23 november 2009 heeft het college appellant geschorst met toepassing van artikel 13.3 eerste lid, aanhef en onder d, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) in verband met het voornemen de eerder opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag ten uitvoer te leggen. Dit voornemen houdt verband met een aantal gedragingen van appellant, met als directe aanleiding dat appellant zich op 19 november 2009 in een vestiging van de dienst Stadstoezicht ernstig zou hebben misdragen door zich agressief en ongezeglijk op te stellen toen hij werd aangesproken op zijn functioneren. Appellant heeft zich in een gesprek op 14 december 2009 verantwoord.

1.4. Op 23 december 2009 heeft het college besloten de straf van voorwaardelijk ontslag met onmiddellijke ingang ten uitvoer te leggen.

1.5. Bij besluit van 9 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het college zowel het schorsings- als het ontslagbesluit na bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door hem te schorsen, omdat geen sprake was van een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim. Volgens appellant heeft zijn leidinggevende B op 19 november 2009 onvoldoende rekening gehouden met het feit dat hij in verband met diverse geweldsincidenten tijdens het uitoefenen van zijn functie lange tijd onder psychologische behandeling is geweest om te leren omgaan met woede en agressie. Hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het college het voorval op 19 november 2009 bewust heeft laten escaleren en dat heeft aangegrepen om hem de laan uit te sturen. Volgens appellant leveren de hem verweten gedragingen noch op zichzelf, noch in samenhang met elkaar ernstig plichtsverzuim op die tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag rechtvaardigen.

3.2. Het college heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak (CRvB 13 april 2006, LJN AW4578, TAR 2006, 132) dient bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag beoordeeld worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt en is er naast die beoordeling geen plaats meer voor een onevenredigheidstoetsing.

4.2. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat elk van de aan appellant verweten gedragingen plichtsverzuim oplevert en dat deze gedragingen in samenhang gezien als (ernstig) plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt, waarbij het incident op 19 november 2009 op zichzelf al is aan te merken is als ernstig plichtsverzuim. De rechtbank is het college in dit standpunt gevolgd.

4.3. In de verklaringen die collega G en drie betrokken leidinggevenden hebben afgelegd, worden de gebeurtenissen op 19 november 2009 in grote lijnen als volgt beschreven. Toen appellant zat te wachten op een collega met wie hij die dag samen zou werken, is hij door groepsbegeleider V erop aangesproken dat hij met zijn voeten op een stoel zat. Appellant haalde zijn voeten pas na herhaald verzoek van V weg. Pas na dringende verzoeken van V stemde appellant ermee in om zijn gedrag te bespreken. Tijdens dat gesprek is appellant gaan schreeuwen, waarna hij het gesprek voortijdig heeft beëindigd door de gespreksruimte te verlaten. Leidinggevende O, die in de kamer ernaast aan het werk was, heeft appellant daarna herhaalde malen vergeefs verzocht rustig te gaan zitten en over het gebeurde te praten. Appellant weigerde te gaan zitten en wilde eerst naar buiten om te roken. Hij was niet voor rede vatbaar, ook niet toen de leidinggevende B tussen beiden kwam, en heeft een agressieve en ongezeglijke houding aangenomen. Appellant heeft de gang van zaken zoals beschreven in de verklaringen deels betwist. Zoals blijkt uit de verklaringen die hij hierover heeft afgelegd, erkent hij dat hij boos en geïrriteerd was, met stemverheffing heeft gesproken en zich niet in de hand had, maar ontkent hij agressief te zijn geweest. Appellant zegt te hebben geweigerd om te gaan zitten en met O te praten, omdat hij tot rust wilde komen en daarom eerst buiten een sigaret wilde roken. De Raad ziet geen reden om eraan te twijfelen dat de vier genoemde verklaringen, die gedetailleerd zijn en op relevante onderdelen met elkaar overeenstemmen, de feitelijke gebeurtenissen op 19 november 2009 in essentie juist weergeven.

4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het gedrag dat appellant op 19 november 2009 heeft laten zien op zichzelf al moet worden aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Het betoog van appellant dat de leidinggevenden hem bewust uit de tent hebben gelokt door hem niet de gelegenheid te geven om een time-out te nemen en buiten even een sigaret te roken, terwijl zij wisten dat hij zich agressief kon gedragen, doet geen afbreuk aan (de ernst van) dit plichtsverzuim. Het college verlangt terecht van zijn ambtenaren en dus ook van appellant dat zij, wanneer een leidinggevende hen op hun gedrag aanspreekt of wanneer op het werk een conflict is ontstaan, bereid en in staat zijn om hierover op rustige toon in gesprek te gaan zonder dat eerst een afkoelingsperiode nodig is. Bij dit oordeel weegt mee dat parkeercontroleurs op straat regelmatig worden geconfronteerd met agressie en conflicten en in staat moeten zijn die te hanteren zonder daarbij hun zelfbeheersing te verliezen. Daarbij maakt het geen verschil of appellant V al kende, nu hij ook op een verzoek van nieuwe collega’s normaal behoort te reageren. Niet is gebleken dat appellant op 19 november 2009 in een zodanige psychische toestand verkeerde dat zijn gedrag hem niet kan worden toegerekend. Daarbij is van belang dat appellant, na vanaf 13 juli 2009 wegens psychische klachten enige tijd aangepaste werk te hebben verricht, per 21 september 2009 volledig hersteld was verklaard voor zijn werk als parkeercontroleur en drie dagen daarna zijn werk had hervat. Ten tijde van het incident was hij ook niet meer onder psychologische behandeling.

4.5. Aangezien het onder 4.4 gegeven oordeel meebrengt dat het college bevoegd was het voorwaardelijk ontslag ten uitvoer te leggen, kan en zal de Raad in het midden laten of de overige aan appellant verweten gedragingen plichtsverzuim opleveren. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, vormt geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid van die bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken. Gezien de ernst van het plichtsverzuim en de aard van de functie van appellant kan het college het niet verantwoord achten om hem hangende de ontslagprocedure zijn werkzaamheden te laten verrichten, zodat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de hem op grond van artikel 13.3 eerste lid, aanhef en onder d, van de NRGA toekomende bevoegdheid om appellant in verband met het ontslagvoornemen te schorsen.

4.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) P.J.M. Crombach

RK