Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
10/3718 WUBO + 12/78 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Anti-hardheidsclausule Wubo na vervallen woonplaatseis. Nieuw beleid nationaliteitseis niet zonder meer aanvaard. Groep I. Zie ook LJN BX6125 (Groep I) en LJN BX6114 (Groep II).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3718 WUBO, 12/78 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], Verenigde Staten (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 30 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 mei 2010, kenmerk BZ01154520 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2011. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

Na deze zitting heeft de Raad het onderzoek heropend in afwachting van nieuwe besluitvorming door verweerder.

Verweerder heeft op 22 december 2011 een nieuw besluit genomen.

Appellante heeft hierop schriftelijk gereageerd.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2012. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, mr. G.E. Eind en mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1933 in het toenmalig Nederlands-Indië, is in 1953 naar Nederland gekomen. Omstreeks 1960 heeft zij zich in de Verenigde Staten gevestigd. In 1993 heeft zij de Amerikaanse nationaliteit aangenomen.

1.2. In april 2009 heeft appellante een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van 19 november 2009, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld vanwege haar internering in het kamp Kanigoro te Madioen tijdens de Bersiap-periode. Verweerder heeft echter de gevraagde uitkering en voorzieningen niet toegekend omdat appellante ten tijde van de aanvraag niet de Nederlandse nationaliteit had. Verweerder heeft geen bijzondere omstandigheden gezien op grond waarvan het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn om de Wubo niet toe te passen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Volgens artikel 3, eerste lid, van de Wubo is deze wet, voor zover in dit geding van belang, van toepassing op degene die in de naoorlogse jaren als burger getroffen is door oorlogsgeweld en op dat moment Nederlander was dan wel Nederlands onderdaan, op voorwaarde dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

2.2. De Raad stelt eerst vast dat appellante niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Zij behoort dan ook in beginsel niet tot de kring van rechthebbenden van de Wubo.

2.3. In artikel 3, tweede lid, van de Wubo is echter geregeld dat de wet ook kan worden toegepast op de persoon die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, als het niet toepassen van deze wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

2.4. Verweerder heeft in eerdere vergelijkbare zaken toegelicht op welke wijze hij met de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, van de Wubo omgaat. Voor zover in dit geval van belang, maakt verweerder gebruik van deze bevoegdheid in zeer bijzondere omstandigheden. Daarbij kijkt verweerder naar de persoonlijke situatie van de betrokkene.

2.5. Naar aanleiding van de uitspraken in die eerdere vergelijkbare zaken waarin de Raad heeft geoordeeld dat van de gestelde weging door verweerder onvoldoende is gebleken heeft verweerder bij het nieuwe besluit van 22 december 2011 het bestreden besluit ingetrokken. Nu hieruit blijkt dat het bestreden besluit door verweerder niet wordt gehandhaafd, zal de Raad dit vernietigen.

3. Bij het nieuwe besluit van 22 december 2011 heeft verweerder het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit wordt op grond van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het geding betrokken.

3.1. Verweerder heeft in het nieuwe besluit aangegeven dat hij naar aanleiding van de eerdere uitspraken van de Raad in vergelijkbare zaken een kader heeft vastgesteld voor de weging van de factoren die een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die tot toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wubo zouden kunnen leiden. Daarbij onderscheidt verweerder een aantal groepen van mogelijke aanvragers. Appellante valt in groep I: personen die vanuit Nederland zijn geëmigreerd.

3.1.1. Voor deze groep I waartoe de Raad zich hier beperkt wordt gekeken naar:

A. Aard en ernst van de oorlogsomstandigheden. Als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt ernstige verminking door oorlogsgeweld of opname in een psychiatrische inrichting als gevolg van oorlogsgebeurtenissen.

B. De reden van emigratie. De reden van vestiging in het buitenland moet zijn gelegen in een stringente medische noodzaak, aangetoond op basis van objectieve medische gegevens, die een gevolg is van uit de oorlogsgebeurtenis voortvloeiende gezondheidsproblemen.

C. De reden van het verlies van de Nederlandse nationaliteit. Er moet sprake zijn van omstandigheden buiten de macht van de aanvrager, waardoor deze op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, juncto het vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) het Nederlanderschap heeft verloren, dan wel op grond van artikel 9 of artikel 15 (lees: artikel 26) van de RWN geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid tot het herkrijgen van de Nederlandse nationaliteit.

D. Overige omstandigheden. Hierbij worden de sociale en financiële omstandigheden beoordeeld. Het leven ver onder het sociaal minimum of een schrijnende vereenzaming worden onder andere als bijzondere omstandigheden aangemerkt.

3.1.2. Verweerder heeft de weging als volgt omschreven:

Bij een combinatie van criterium A met criterium B en/of C kan worden gesproken van zeer bijzondere omstandigheden die reden geven tot toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wubo. Criterium D speelt wel een rol, maar slechts bij twijfelgevallen in de bovenstaande combinatie. Het is op zich geen criterium dat in combinatie met één ander criterium aanleiding geeft tot toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wubo.

3.2. De Raad dient de aanvaardbaarheid van het nieuw geformuleerde beleid inzake groep I te beoordelen. Daarbij stelt hij voorop dat de Wubo in het verleden naast de nationaliteitseis ook een woonplaatsvereiste (territorialiteitseis) kende. Dit laatste vereiste betekende dat de betrokkene ten tijde van de aanvraag hier te lande gevestigd moest zijn. De thans in artikel 3, tweede lid, van de Wubo neergelegde anti-hardheidsbepaling had toen op beide eisen betrekking. Ingevolge de Wet van 10 april 2008, Stb. 150, is de territorialiteitseis komen te vervallen. Sindsdien kan de anti-hardheidsbepaling alleen nog betrekking hebben op de nationaliteitseis. Daarmee ontstond een nieuwe situatie, die vroeg om een heroverweging van het tot dan toe door verweerder gevoerde beleid (CRvB 13 augustus 2009, LJN BJ5871). Het voorheen in het beleid gemaakte onderscheid tussen "Nederlanders in het buitenland" en "buitenlanders in het buitenland" was niet meer van belang. De eerste categorie aanvragers behoorde voortaan van rechtswege tot de doelgroep van de Wubo en had de anti-hardheidsclausule dus niet langer nodig. Ten aanzien van de tweede categorie was het wonen in het buitenland op zichzelf niet meer relevant, nu de territorialiteitseis uitdrukkelijk was geschrapt. Ook de redenering dat bij niet-Nederlanders in het buitenland extra terughoudendheid was geboden, omdat aan hen niet van één maar van twee vereisten ontheffing moest worden verleend, kon niet langer worden gevolgd. Voor deze niet-Nederlanders ging het voortaan alleen nog om het opzij zetten van de nationaliteitseis. Dit betekent dat het nieuwe beleid moet zijn afgestemd op de doelstelling van de nationaliteitseis. Blijkens de wetsgeschiedenis is die doelstelling: het afbakenen van de groep oorlogsslachtoffers die aanspraak kan maken op de bijzondere solidariteit van het Nederlandse volk die een toekenning op grond van de Wubo rechtvaardigt. De anti-hardheidsclausule ziet dan ook op gevallen waarin het, ondanks het ontbreken van de Nederlandse nationaliteit, onaanvaardbaar zou zijn indien deze solidariteit zich niet mede tot de betrokkene zou uitstrekken. Daartoe moet de betrokkene zeer bijzondere omstandigheden naar voren brengen, want de Nederlandse nationaliteit geldt in het kader van de Wubo bij uitstek als blijk van verbondenheid.

3.2.1. De door verweerder onder B en C genoemde criteria zijn op zichzelf aanvaardbaar. Indien de emigratie met het aannemen van de nationaliteit van het nieuwe woonland als begrijpelijk uitvloeisel was ingegeven door een stringente en causale medische noodzaak, dan wel het Nederlanderschap door omstandigheden buiten de macht van de betrokkene verloren is gegaan, kan er aanleiding bestaan om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat de betrokkene de Nederlandse nationaliteit dient te bezitten. Het gaat daarbij om gevallen waarin de betrokkene in wezen geen vrije keuze had om de formele band met Nederland te behouden, en de bijzondere solidariteit van het Nederlandse volk met zijn lot als oorlogsslachtoffer daarom in redelijkheid niet als geëindigd kan worden beschouwd.

3.2.2. Ook de onder A en D omschreven criteria zijn mits niet limitatief opgevat aanvaardbaar als factoren die een rol kunnen spelen bij de beslissing of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de anti-hardheidsclausule dienen te leiden. Daarbij moeten alle relevante aspecten in onderling verband worden bezien. In hoofdzaak moet worden gedacht aan schrijnende leefsituaties die aan het ondergane ernstige en ingrijpende oorlogsleed zijn toe te schrijven en waarvan, ondanks de verbreking van de formele band met Nederland, redelijkerwijs niet aanvaardbaar zou zijn dat de bijzondere solidariteit van het Nederlandse volk zich er niet mede toe uitstrekt.

3.2.3. Niet met een redelijke beleidsbepaling te verenigen is echter de koppeling die verweerder heeft gelegd tussen de criteria onder B en C enerzijds, en de criteria onder A en D anderzijds.

Wat betreft de gevallen onder B is niet in te zien waarom, bovenop het vereiste van een stringente medische noodzaak voor emigratie als gevolg van causale gezondheidsproblemen, nog nadere voorwaarden met betrekking tot de aard of de gevolgen van die problemen gerechtvaardigd zijn. Wat betreft de gevallen onder C is in het algemeen niet in te zien wat de aard en de gevolgen van het oorlogsletsel, dan wel de leefomstandigheden van de betrokkene, kunnen toe of afdoen aan het onvrijwillige karakter van het verlies van de Nederlandse nationaliteit. Daarbij is van belang dat aan de medische noodzaak en aan de onvrijwilligheid van het verlies toch al hoge eisen mogen worden gesteld. Wat betreft de factoren onder A en D kan niet op voorhand worden uitgesloten dat deze ook buiten de gevallen zoals omschreven onder B of C tot de conclusie leiden dat zich een schrijnende situatie als bedoeld onder 3.2.2 voordoet.

Evenmin aanvaardbaar is de door verweerder aangebrachte koppeling tussen de criteria onder A en D onderling, in die zin dat sociale en financiële omstandigheden dan wel bijzondere omstandigheden van andere aard pas aan de orde zouden kunnen komen indien aan het criterium onder A is voldaan. Zo'n koppeling tussen A en D zou afbreuk doen aan het uitgangspunt dat alle relevante feiten en omstandigheden in onderling verband moeten worden bezien.

3.3. In het nieuwe besluit heeft verweerder overwogen dat in het geval van appellante geen sprake is van ernstige verminking of opname in een psychiatrische inrichting ten gevolge van haar oorlogsgebeurtenissen. Daarnaast was er voor appellante geen sprake van een stringente medische noodzaak ten gevolge van haar oorlogsomstandigheden voor vestiging in het buitenland. Ten slotte is niet gebleken van bijzondere omstandigheden buiten haar macht waardoor zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren of niet heeft kunnen herkrijgen. Verweerder blijft daarom van mening dat er bij appellante geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet toepassen van de Wubo een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

3.4. Deze nadere motivering is gebaseerd op het nieuw geformuleerde beleid. Zij kan, gelet op hetgeen onder 3.2.3 is overwogen, de rechterlijke toetsing niet doorstaan. Ook het nieuwe besluit komt dus wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking.

3.5. De Raad stelt echter tevens vast dat appellante geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die wijzen op een situatie zoals onder 3.2.1 of 3.2.2 bedoeld. De gedingstukken, waaronder het sociaal rapport, laten duidelijk zien dat appellante naar de Verenigde Staten is geëmigreerd om redenen van economische aard en uit een verlangen naar meer leefruimte. Van een medische noodzaak voor de verhuizing is geen sprake. Vervolgens heeft appellante om economische en belastingtechnische redenen de nationaliteit van dat land aangenomen en daardoor het Nederlanderschap verloren. Voor de motieven van appellante om zo te handelen kan begrip worden opgebracht. Ook is aannemelijk geworden dat appellante haar Nederlandse wortels in ere heeft gehouden en zich jarenlang heeft ingezet voor het bevorderen van de Nederlandse cultuur in de Verenigde Staten. In dit alles is echter geen grond gelegen om aan het nationaliteitsvereiste van de Wubo voorbij te gaan. Zo'n grond is ook niet anderszins naar voren gekomen.

3.6. De Raad ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het nieuwe besluit geheel in stand blijven.

4. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig, nu van voor in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2010 gegrond en vernietigt dit besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 22 december 2011 geheel in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) J.M. Tason Avila