Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
10-6222 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd is volgens vaste rechtspraak van de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Betrokken is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is, omdat zij niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de beoordelingsperiode niet redelijkerwijs kon beschikken over het appartement dat op haar naam geregistreerd stond. Appellante heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens ingebracht die haar standpunt ondersteunen dat het appartement een geringere waarde had dan het dagelijks bestuur heeft aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6222 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 oktober 2010, 10/877 WWB (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en Inkomen te Ulft (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 28 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Anik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2012. Voor appellante is verschenen mr. Anik. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B.L. Wessink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 september 1989 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand, vanaf 20 april 2005 naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip over woningbezit van appellante in Turkije heeft het dagelijks bestuur een rechtmatigheidsonderzoek in laten stellen door het Internationaal Bureau Fraude-informatie. Uit het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 8 oktober 2009, komt naar voren dat in de stad [stad], Turkije een appartement op naam van appellante geregistreerd staat. Appellante heeft het appartement op 6 november 2007 verworven. De waarde van het appartement, dat op 30 april 2008 is opgeleverd, is op 30 september 2009 door een lokale makelaar op € 43.000,-- getaxeerd.

1.3. Bij besluit van 15 februari 2010 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van 6 november 2007 ingetrokken op de grond dat appellante niet heeft gemeld dat zij vanaf die datum is overgaan tot verwerving van een appartement, op dat moment al of niet in aanbouw zijnde, waardoor zij over vermogen beschikt boven de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. De over de periode van 6 november 2007 tot en met 2 december 2009 gemaakte kosten van bijstand zijn tot een bedrag van € 26.351,28 van appellante teruggevorderd. Tevens heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met 100% verlaagd gedurende de periode van 6 september 2007 tot en met 5 november 2007 (maatregel) en zijn de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.744,68 van appellante teruggevorderd. De bijstand van appellante is met ingang van 1 maart 2010 beëindigd.

1.4. Bij besluit van 12 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, voor zover gericht tegen de opgelegde maatregel en de daaruit voortvloeiende terugvordering, omdat het dagelijks bestuur dit deel van het bestreden besluit niet langer heeft gehandhaafd. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat het appartement weliswaar formeel op haar naam geregistreerd stond, maar dat haar dochter, [naam dochter], geboren in 1986, feitelijk de eigenaar was. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellante een verklaring overgelegd van [D.] van 15 juni 2008 over een lening van € 25.000,-- aan de dochter ten behoeve van de aankoop van het appartement en een verklaring van aannemersbedrijf [naam aannemersbedrijf] van 14 december 2009. Ook heeft appellante een akte van eigendom van 14 juli 2010 ingezonden, waarin is vermeld dat zij de woning op 14 juli 2010 aan haar dochter heeft verkocht. Appellante heeft voorts gesteld dat zij de Nederlandse taal niet machtig is en dat bij het gesprek met een medewerker van het dagelijks bestuur op 3 december 2009 ten onrechte geen tolk is ingeschakeld. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat het appartement een geringere waarde had dan het dagelijks bestuur heeft aangenomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ter beoordeling ligt voor de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van beëindiging van de bijstand. Dit betekent dat hier beoordeeld moet worden de periode van 6 november 2007 tot en met 1 maart 2010.

4.2. Uit de registratie bij de Afdeling Belastingen van [stad] blijkt dat appellante het appartement op 6 november 2007 heeft verworven. Appellante erkent dat zij in de beoordelingsperiode geregistreerd stond als eigenaar. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd is volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 30 november 2010, LJN BO6528 en CRvB 11 januari 2011, LJN BP0817) de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.3. Appellante is daarin niet geslaagd, omdat zij niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de beoordelingsperiode niet redelijkerwijs kon beschikken over het appartement dat op haar naam geregistreerd stond. Appellante heeft niet aan de hand van afschriften van een bankrekening en daarop zichtbare geldstromen of op andere wijze aannemelijk gemaakt dat haar dochter het appartement heeft aangekocht en feitelijk eigenaar was. Aan de verklaring van [D.] kan niet die betekenis toegekend worden die appellante daaraan toegekend wil zien. In dit verband is van belang dat de datum van de lening ligt na de datum van oplevering van het appartement. Bovendien biedt de verklaring geen bewijs dat de dochter als eigenaar van het appartement zou moeten worden aangemerkt. Ook de verklaring van de [naam aannemersbedrijf], die achteraf is opgesteld, is ontoereikend.

4.4. Voor de waarde van het appartement kan worden aangesloten bij de door de lokale makelaar op 30 september 2009 vastgestelde taxatiewaarde van € 43.000,--. Appellante heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens ingebracht die haar standpunt ondersteunen dat het appartement een geringere waarde had dan het dagelijks bestuur heeft aangenomen. Indien wordt uitgegaan van de ter zitting gegeven verklaring van appellante dat bij de verwerving van het appartement een aanbetaling is gedaan van € 25.000,-- bedroeg de waarde van het appartement ook ten tijde van de verwerving in ieder geval meer dan de voor appellante geldende vermogensgrens.

4.5. Door de afwezigheid van een tolk bij het gesprek op 3 december 2009 is appellante niet in haar belangen geschaad. Uit het gespreksverslag blijkt dat haar zoon aanwezig was en dat hij een en ander heeft vertaald voor zijn moeder. Niet is meegedeeld wat appellante anders verklaard zou hebben bij de inschakeling van een tolk. Het dagelijks bestuur heeft gewezen op eerdere gesprekken met appellante, waarbij van de kant van appellante nooit is gevraagd is om de inschakeling van een tolk vanwege onvoldoende Nederlandse taalbeheersing.

4.6. Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) J. de Jong

HD