Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6118

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
10-5634 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Verlaging bijstand. Ook in hoger beroep heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij zich tevoren heeft afgemeld voor de oproepen van de Dienst Sociale Zaken en Werk. Het moet er daarom voor worden gehouden dat appellant zonder bericht van verhindering niet aan die oproepen heeft voldaan, hetgeen hem te verwijten valt. Het college heeft de gedragingen van appellant terecht gekwalificeerd als gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren. Anders dan appellant stelt is er geen ruimte om te volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5634 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 september 2010, 10/376 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 28 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 juli 2012, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1999 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand. In verband met door appellant gestelde medische belemmeringen om arbeid te verrichten in het kader van een re-integratietraject, is in opdracht van het college door de Hulpverleningsdienst Groningen een onderzoek ingesteld. De conclusie van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een indicatie-advies van 1 december 2008, is dat appellant vanuit medisch oogpunt in staat wordt geacht alle voorkomende werkzaamheden te verrichten gedurende 36 tot 40 uur per week.

1.2. Bij brief van 28 juli 2009 is appellant door de Dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen (SZW) opgeroepen voor een gesprek op 11 augustus 2009 over de voortgang van de re-integratie. Appellant heeft aan die oproep geen gevolg gegeven. Appellant heeft evenmin voldaan aan de oproep van SZW van 11 augustus 2009 voor een gesprek over de voortgang van de re-integratie op 14 augustus 2009.

1.3. Bij besluit van 26 augustus 2009 heeft het college de bijstand met ingang van 1 september 2009 verlaagd met 20% gedurende een maand.

1.4. Bij besluit van 8 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2009 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op de grond dat appellant zonder bericht van verhindering geen gevolg heeft gegeven aan oproepen voor een gesprek over de voortzetting van zijn re-integratie. Het college heeft deze gedragingen gekwalificeerd als gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren, als bedoeld in artikel 9, derde lid, onder b, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Groningen (verordening). Een dergelijke gedraging leidt op grond van artikel 10, eerste lid, onder c, van de verordening tot een verlaging van 20% gedurende een maand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te noemen gronden tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft hij verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft in het hoger beroepschrift, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De gedragingen van appellant rechtvaardigen geen maatregel van 20%. Die maatregel is disproportioneel. Appellant heeft zich ziek gemeld voor een geplande afspraak. De andere afspraak is gepland op een dag waarvan appellant tevoren had gemeld dat hij in ’s-Gravenhage moest zijn om zijn dochter, die een dag uit Engeland over was, te helpen. Het niet verschijnen is daarom niet verwijtbaar. Daarnaast heeft het college ten onrechte afgezien van het geven van een waarschuwing. Het college heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de sollicitaties die appellant zelf heeft verricht en heeft niets gedaan met het verzoek van appellant om hem als zelfstandige aan te merken. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij op 18 november 2009 een medische keuring heeft ondergaan. De beperkingen voor het verrichten van arbeid die appellant toen naar voren heeft gebracht moeten ook reeds aanwezig zijn geweest ten tijde van het opleggen van de maatregel, in september 2009.

4.2. De Raad kan zich geheel verenigen met de onder 3.3 van de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij zich tevoren heeft afgemeld voor de onder 1.2 vermelde oproepen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat appellant zonder bericht van verhindering niet aan die oproepen heeft voldaan, hetgeen hem te verwijten valt. Het college heeft de gedragingen van appellant terecht gekwalificeerd als gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren als bedoeld in artikel 9, derde lid, onder b, van de verordening. Anders dan appellant stelt biedt artikel 10, derde lid, van de verordening niet de ruimte om in geval van gedragingen als bedoeld in artikel 9, derde lid, onder b, te volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.

4.3. Hetgeen appellant overigens in hoger beroep naar voren heeft gebracht houdt geen verband met het niet voldoen aan de onder 1.2 vermelde oproepen en wordt verder buiten beschouwing gelaten.

4.4. Gelet op het onder 4.2. en 4.3 overwogene slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) R. Scheffer

HD