Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6096

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
10-6867 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering berust op goed gronden. Overschrijding vermogensgrens. Het standpunt van appellante dat zij niet wist en ook niet kon weten dat bijstand op haar naam was aangevraagd, kan niet worden onderschreven. Tijdens haar verhoor heeft appellante in aanwezigheid van een tolk verklaard dat de vrouwenopvang voor haar de bijstandsuitkering heeft aangevraagd en dat een maatschappelijk werkster haar het formulier heeft laten ondertekenen. Appellante kreeg de bijstand niet zelf in handen kreeg, maar deze werd, overeenkomstig de door appellante afgegeven machtiging, overgemaakt op de bankrekening van de vrouwenopvang. De betaling van de bijstand aan de vrouwenopvang diende kennelijk voor de bekostiging van het verblijf van appellante in de vrouwenopvang en het zakgeld. Brutering terugvordering.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 58.1a, geldigheid: 2012-08-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/282

Uitspraak

10/6867 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2011, 10/3619 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 28 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft uit eigen beweging en desgevraagd enkele stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mathoerapersad. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Veenendaal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft vanaf 22 april 2007 onderdak gevonden bij de Stichting Vrouwenopvang Amsterdam (vrouwenopvang). Zij heeft op 19 maart 2007 een formulier inzake de aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ter aanvulling op haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ondertekend en daarop vermeld dat de betaling van de bijstand op een bankrekening ten name van vrouwenopvang dient te geschieden. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het college aan appellante met ingang van 22 februari 2007 bijstand toegekend. Het besluit vermeldt dat de bijstand wordt overgemaakt naar de vrouwenopvang, waarvoor appellante een machtiging heeft afgegeven. Op 22 april 2008 heeft appellante in Amsterdam zelfstandige woonruimte betrokken. De melding van appellante van haar verhuizing heeft ertoe geleid dat het college bij besluit van 28 april 2008 de bijstand van appellante heeft aangepast aan haar veranderde omstandigheden.

1.2. Op 11 december 2008 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting. Naar aanleiding van deze aanvraag is aan de hand van de door appellante verstrekte bankafschriften onder meer vastgesteld dat op 4 juli 2007 een bedrag van € 30.044,69 op haar bankrekening was gestort. Dit gegeven heeft geleid tot een onderzoek door de sociale recherche van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand, onder meer bestaande uit dossieronderzoek en het verhoor van appellante op 11 januari 2010. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 20 januari 2010.

1.3. Bij besluit van 22 maart 2010 heeft het college onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante over de periode van 4 juli 2007 tot en met 31 oktober 2008 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.224,27 bruto van appellante teruggevorderd. Aan het besluit ligt ten grondslag dat appellante de DWI niet heeft geïnformeerd over het bedrag dat op 4 juli 2007 op haar bankrekening is bijgeschreven en dat zij vanaf die datum beschikt over een vermogen dat de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt, zodat zij geen recht heeft op bijstand. Bij besluit van 21 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2010 ongegrond verklaard. Daartoe is mede van belang geacht dat appellante de DWI heeft gemachtigd de bijstand uit te betalen aan de vrouwenopvang, dat de bijstand op deze wijze is uitbetaald zoals blijkt uit het toekenningsbesluit en de maandelijkse uitkeringsspecificaties en dat de door appellante afgegeven machtiging gedurende de bijstandsverlening niet is ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat appellante wist of kon weten dat er bijstand op haar naam was aangevraagd. Bovendien is zij analfabeet, zodat zij niet in staat was de uitkeringsspecificaties te lezen. Appellante heeft weliswaar maandelijks inkomstenverklaringen ondertekend, maar die werden door een medewerker van de vrouwenopvang ingevuld; na haar verhuizing heeft appellante de vragen op deze formulieren door middel van het zetten van kruisjes op dezelfde wijze beantwoord. Appellante heeft niet de beschikking gehad over de bijstand, ook niet nadat zij op 22 april 2008 de vrouwenopvang had verlaten en zelfstandige woonruimte had betrokken. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat het college ten onrechte de gemaakte kosten van bijstand over de maanden april tot en met oktober 2008 van haar heeft teruggevorderd omdat de bijstand niet aan haar is uitbetaald, terwijl bekend was dat zij was verhuisd. Ten slotte is aangevoerd dat het college had moeten volstaan met terugvordering van het netto bedrag aan kosten van bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 54, derde lid, van de WWB bepaalt - voor zover hier van belang - dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4.2. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ingevolge artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB kunnen loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt inhoudingsplichtige is, alsmede de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, worden teruggevorderd, voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding.

4.3. Het standpunt van appellante dat zij niet wist en ook niet kon weten dat bijstand op haar naam was aangevraagd, kan niet worden onderschreven. Tijdens haar verhoor op 11 januari 2010 heeft appellante in aanwezigheid van een tolk verklaard dat de vrouwenopvang voor haar de bijstandsuitkering heeft aangevraagd en dat een maatschappelijk werkster haar het formulier heeft laten ondertekenen. Tevens heeft appellante verklaard dat zij tijdens haar verblijf in de vrouwenopvang de bijstand niet zelf in handen kreeg en toen zakgeld ontving. In reactie op de vraag of appellante de storting van € 30.044,69 op 4 juli 2007 op haar bankrekening bij de DWI heeft gemeld, heeft appellante verklaard dat in vrouwenopvang haar is verteld dat de maatschappelijk werker dit bij de DWI zou melden. Voorts heeft appellante verklaard dat zij op de inkomstenverklaringen de WAO-uitkering moest melden en dat zij deze formulieren naar de grijze bus bij het gemeentehuis moest brengen. Uit deze omstandigheden wordt afgeleid dat appellante zich niet alleen bewust is geweest dat zij, met behulp van een maatschappelijk werkster, bijstand heeft aangevraagd en de bijstand is verstrekt, maar ook dat de bewuste bijschrijving op haar bankrekening op 4 juli 2007 bij de DWI moest worden gemeld. Voorts is aannemelijk dat appellante de DWI op 24 april 2008 in kennis heeft gesteld van haar verhuizing met het oog op de verleende bijstand. Bovendien heeft appellante ook na haar verhuizing de inkomstenverklaringen ingevuld en in een brievenbus van de DWI gedeponeerd. Gelet op de verklaring tijdens haar verhoor was appellante zich bewust van het doel van de inkomstenverklaringen en is niet aannemelijk dat zij, zoals ter zitting gesteld, in de veronderstelling leefde dat deze verklaringen betrekking hadden op haar WAO-uitkering. Voor zover appellante niet de exacte betekenis van de besluiten van 8 mei 2007 en 28 april 2008 kon begrijpen had zij zich kunnen laten voorlichten door de maatschappelijk werkster, die haar behulpzaam was.

4.4. Niet is geschil is dat het vermogen van appellante in de periode van 4 juli 2007 tot en met 31 oktober 2008 de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschreed. Het college was derhalve onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over deze periode in trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot volledige intrekking heeft kunnen overgaan.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.4 volgt dat aan appellante over de periode van 4 juli 2007 tot en met 31 oktober 2008 ten onrechte bijstand is verleend en dat het college bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand over deze periode van appellante terug te vorderen. De omstandigheid dat appellante de bijstand niet zelf in handen kreeg, maar dat deze, overeenkomstig de door appellante afgegeven machtiging, werd overgemaakt op de bankrekening van de vrouwenopvang is daarbij niet van belang. De betaling van de bijstand aan de vrouwenopvang diende kennelijk voor de bekostiging van het verblijf van appellante in de vrouwenopvang en het zakgeld. Het college heeft onweersproken gesteld dat appellante de door haar afgegeven machtiging om de bijstand over te maken naar de vrouwenopvang niet heeft ingetrokken en dat om die reden de bijstand ook vanaf 22 april 2008 is overgemaakt op de bankrekening van de vrouwenopvang. Het college is op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB uitsluitend bevoegd de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen van degene aan wie de bijstand is verleend. Aangezien de bijstand is verleend aan appellante en niet aan de vrouwenopvang, kan het college deze kosten van bijstand alleen van appellante terugvorderen. Dit geldt niet alleen voor de periode van 4 juli 2007 tot en met 21 april 2008, maar ook voor de periode van 22 april 2008 tot en met 31 oktober 2008. De omstandigheid dat het college ermee bekend was dat appellante was verhuisd leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van de bevoegdheid om de kosten van bijstand over laatstgenoemde periode van appellante terug te vorderen gebruik heeft kunnen maken. Het ligt op de weg van appellante zich in verbinding te stellen met vrouwenopvang over de bijstand die op de bankrekening van deze organisatie is gestort over de periode waarin appellante geen gebruik meer maakte van de vrouwenopvang.

4.6. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 24 juli 2007, LJN BB0561) dient te worden afgezien van de uitoefening van de in artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. De omstandigheid dat appellante er kennelijk op vertrouwde dat de maatschappelijk werkster de bewuste storting bij de DWI zou melden doet er niet aan af dat het haar verantwoordelijkheid was dit bij de DWI te melden. Bovendien had appellante kunnen begrijpen dat deze melding niet heeft plaatsgevonden omdat zij ook na juli 2007 de inkomstenverklaringen heeft ingevuld. Voorts heeft het college eerst na afronding van het onderzoek door de sociale recherche begin 2010 tot terugvordering kunnen overgaan, waardoor betaling van de schuld in de kalenderjaren 2008 en 2009 niet mogelijk was. Hetgeen appellante heeft aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot brutering gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) J. de Jong

HD