Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
11-34 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering, op de grond dat appellante vanaf haar zeventiende verjaardag niet gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat, in het licht van het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens de verzekeringsartsen van het Uwv op goede gronden zijn gekomen tot de conclusie dat ten tijde hier van belang bij appellante geen sprake is geweest van relevante medische beperkingen gedurende een onafgebroken periode van 52 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/34 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2010, 10/2194 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. Ouwens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2012. Voor appellante is verschenen mr. S. Wortel, kantoorgenoot van mr. Ouwens. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet doen vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van

appellante tegen het besluit van 28 april 2010. Bij dat besluit heeft het Uwv, beslissende op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 17 juli 2009, bij welk besluit appellante met ingang van 20 november 2008, de dag waarop zij de leeftijd van achttien jaar bereikte, niet in aanmerking is gebracht voor een uitkering ingevolge de Wajong, op de grond dat zij vanaf haar zeventiende verjaardag op 20 november 2007 niet gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

2.1. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat weergeven, overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben hun oordeelsvorming gebaseerd op bestudering van het dossier, de anamnese, het eigen medisch onderzoek van appellante, de tijdens de hoorzitting verkregen informatie en de van de behandelend specialisten verkregen informatie. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts, aldus de rechtbank, het door appellante in beroep overgelegde advies van 23 juli 2010 van de medisch adviseur H. Donkers en de door appellante overgelegde nadere stukken in zijn rapportages betrokken.

2.2. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen reden gegeven het medisch oordeel van de verzekeringsartsen, zoals dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, voor onjuist te houden. Door de bezwaarverzekeringsarts is uitgebreid gemotiveerd dat appellante in de periode van februari 2008 tot begin augustus 2008 ondanks de bij haar vastgestelde chronische aandoeningen, geen relevante aangetoonde klachten had die tot arbeidsongeschiktheid hebben geleid. Bij het ontbreken aldus van een medische aanleiding daartoe, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geen noodzaak aanwezig geacht tot het verrichten van arbeidskundig onderzoek teneinde de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante te bepalen.

3. Appellante houdt in hoger beroep staande dat er wel aanleiding bestond om naast medisch onderzoek ook arbeidskundig onderzoek te verrichten. Voor zover, hetgeen appellante overigens betwist, elk van haar beide aandoeningen op zich genomen, daartoe onvoldoende aanknopingspunten zou vormen, meent appellante, onder verwijzing naar het rapport van medisch adviseur Donkers, dat in elk geval de combinatie van die beide aandoeningen wel een voldoende medische aanleiding vormt voor nader arbeidskundig onderzoek.

4. De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen van de rechtbank en het daarop door haar gegronde oordeel. De Raad maakt die overwegingen en dat oordeel tot de zijne.

4.1. Naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad daarbij nog dat hij, wat betreft de klachten van appellante van reumatologische aard, in het bijzonder van belang acht dat reumatoloog dr. A.J.G. Swaak in een schrijven van 23 juni 2009 heeft verklaard dat het laatste poliklinische controlebezoek op 1 februari 2008 was, dat op dat moment bij appellante geen tekenen werden gezien van artritis en door appellante ook subjectief werd aangegeven dat het uitstekend ging. In het licht van deze informatie, kan de Raad aan het, overigens niet nader medisch onderbouwde, schrijven van Swaak van maart 2008, waarin wordt aangegeven dat appellante wegens haar gezondheidstoestand niet te zwaar belast kan woorden, waardoor haar opleiding geen doorgang kan vinden en zij haar opleiding zal moeten stoppen, niet die betekenis toekennen die appellante daaraan gehecht wenst te zien.

4.2. Voorts heeft de Raad, wat betreft de darmklachten van appellante, in het bijzonder acht geslagen op het schrijven van 15 juli 2009 van de kinderarts dr. P.J. Swiatkowski, waarin deze onder meer aangeeft dat op 6 februari 2008 weer een telefonisch consult plaatsvond en daarbij bleek dat het goed met appellante ging: zij had, afgezien van klachten ter zake van overgewicht als gevolg van een eerder gevolgde Prednisonkuur, geen klachten. Het defaecatiepatroon was normaal en laboratoriumonderzoek liet geen afwijkingen zien. Poliklinische controle eind april 2008 en bloedonderzoek eind mei 2008 leverde geen wezenlijk ander beeld op, waarna in augustus 2008 - de Raad begrijpt: in verband met de leeftijd van appellante - overdracht van de kinderarts naar een internist plaatsvond.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat, in het licht van het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens, waaronder evenvermelde informatie van Swaak en Swiatkowski, de verzekeringsartsen van het Uwv op goede gronden zijn gekomen tot de conclusie dat ten tijde hier van belang bij appellante geen sprake is geweest van relevante medische beperkingen gedurende een onafgebroken periode van 52 weken.

4.4. Het overwogene onder 4.1 tot en met 4.3 leidt tot de conclusie dat aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Brand en R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M.R. Schuurman

GdJ