Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
11-2000 WWB + 11-2008 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. De rechtbank heeft, anders dan appellante heeft aangevoerd, de juiste toets aangelegd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. In wat appellante heeft aangevoerd, is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik kon maken van zijn bevoegdheid het verzoek van appellante af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2000 WWB, 11/2008 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2011, 10/2401 en 10/3225 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Spijkenisse (college)

Datum uitspraak: 28 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Brosius, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met de gevoegde zaak 11/5031 tussen dezelfde partijen, plaatsgevonden op 17 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brosius. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. van der Pols. Het hoger beroep in zaak 11/5031 is ter zitting ingetrokken.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft het college de ten onrechte over de periode van 30 oktober 2003 tot en met 31 juli 2004 gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd van [M.] en mede teruggevorderd van appellante. Het college heeft daarbij ten aanzien van appellante toepassing gegeven aan artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) en zich op het standpunt gesteld dat [M.], die bijstand van het college ontving, niet tijdig heeft opgegeven dat hij en appellante gedurende deze periode een gezamenlijke huishouding voerden en een gezamenlijk inkomen hadden dat hoger was dan de bijstandsnorm. Zoals ter zitting is vastgesteld is dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden, nadat het daartegen gemaakte bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk was verklaard, wat in beroep in stand is gebleven.

1.2. Bij brief van 14 augustus 2009 heeft appellante aan het college verzocht om vanwege nieuwe feiten terug te komen van zijn besluit van 19 augustus 2004. Op 19 augustus 2009 heeft het college dit verzoek afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 2 december 2009 heeft het college het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 19 augustus 2009 informatief is en geen besluit bevat. Bij uitspraak van 12 mei 2010 heeft de rechtbank de beslissing op bezwaar van 2 december 2009 vernietigd omdat de brief van 19 augustus 2009 wel een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inhoudt. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van haar uitspraak.

1.3. Vervolgens heeft het college bij beslissing op bezwaar van 26 juli 2010 (bestreden besluit) de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 19 augustus 2004 gehandhaafd. Het college heeft in de door appellante aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding gezien te oordelen dat sprake is van nieuwe feiten op grond waarvan het oorspronkelijke besluit moet worden herzien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij haar beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Appellante heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14 (lees: 3) maart 2011, LJN BP7504, dat een ruimer toetsingskader dient te worden gehanteerd dan de rechtbank heeft gedaan. Appellante is verder van mening dat voldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd voor de conclusie dat zij in de betrokken periode elders woonde en dus niet een gezamenlijke huishouding met [M.] voerde. Zij voelt zich door de situatie waarin zij door [M.] terecht is gekomen ernstig benadeeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het in dit geding aan de orde zijnde verzoek van 14 augustus 2009, zoals nader aangevuld, strekt ertoe dat het college terugkomt van het eerdere, ambtshalve genomen, besluit van 19 augustus 2004. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen rechtvaardigen. De bestuursrechter dient het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank, die het hiervoor vermelde toetsingskader heeft gehanteerd, anders dan appellante heeft aangevoerd, de juiste toets heeft aangelegd. De uitspraak van de Raad van 3 maart 2011 waarop appellante een beroep heeft gedaan betreft niet de overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Awb, maar de toepassing van het - andersluidende - artikel 61, derde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, en is reeds daarom hier niet van belang.

4.2. Appellante heeft feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgens haar blijkt dat zij haar hoofdverblijf niet bij [M.], maar elders had. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het hier niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Wat is aangevoerd, had ook naar voren kunnen worden gebracht in een tijdig tegen het besluit van 19 augustus 2004 ingediend bezwaarschrift. In wat appellante heeft aangevoerd, is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik kon maken van zijn bevoegdheid het verzoek van appellante af te wijzen.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) V.C. Hartkamp

HD