Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
11-2434 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat het Uwv appellant in aansluiting op de beëindiging van de ZW-uitkering een voorschot heeft verleend. Tussen partijen is niet in geschil dat, nadat aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend, verrekening van het voorschot met deze uitkering heeft plaatsgevonden. Evenmin is in geschil dat deze verrekening op juiste wijze is uitgevoerd. Door deze verrekening is - zij het achteraf - alsnog de situatie ontstaan die ook zou zijn ontstaan indien het Uwv aansluitend aan de ZW-periode direct een uitkering op grond van de Wet WIA zou hebben toegekend. Appellant kan hierdoor met zijn hoger beroep niet iets bereiken dat voor hem feitelijke betekenis heeft. In zo’n situatie is geen sprake van een voldoende procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2434 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 maart 2011, 10/1325 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 24 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 27 juli 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Verkerk, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 13 april 2010 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit het recht op uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 2 maart 2010 te beëindigen wegens het bereiken van de maximale termijn waarover uitkering op grond van deze wet kan worden verstrekt.

1.2. Bij besluit van 4 juni 2010 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit appellant met ingang van 2 maart 2010 - op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) - een loongerelateerde WGA-uitkering toe te kennen.

1.3. Beide besluiten zijn - naar tussen partijen ook niet in geschil is - in rechte onaantastbaar.

1.4. Bij besluit van 12 mei 2010 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit aan appellant een voorschot toe te kennen in afwachting van de beoordeling of appellant recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 mei 2010 ongegrond verklaard.

3.1. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat het Uwv appellant in aansluiting op de beëindiging van de ZW-uitkering een voorschot heeft verleend. Tussen partijen is niet in geschil dat, nadat aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend, verrekening van het voorschot met deze uitkering heeft plaatsgevonden. Evenmin is in geschil dat deze verrekening op juiste wijze is uitgevoerd.

Door deze verrekening is - zij het achteraf - alsnog de situatie ontstaan die ook zou zijn ontstaan indien het Uwv aansluitend aan de ZW-periode direct een uitkering op grond van de Wet WIA zou hebben toegekend.

Dit heeft tot gevolg dat ook in het geval de primaire grond van appellant in hoger beroep dat hij geen voorschot had willen ontvangen, omdat een voorschot tot onzekerheden leidt en het Uwv naar zijn opvatting onmiddellijk na de beëindiging van de ZW-uitkering een uitkering op grond van de Wet WIA had moeten toekennen, zou worden gevolgd, dit er niet toe kan leiden dat nog enige verrekening of wijziging in de rechtsverhouding tussen partijen zou moeten plaatsvinden.

Hetzelfde geldt voor de subsidiaire grond dat indien al een voorschot zou moeten worden verstrekt er een hoger voorschot had moeten worden verstrekt.

3.2. Uit hetgeen is overwogen in 3.1 volgt dat appellant met zijn hoger beroep niet iets kan bereiken dat voor hem feitelijke betekenis heeft. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals deze volgt uit onder meer zijn uitspraak van 16 december 2009, LJN BK7036, is in zo’n situatie geen sprake van een voldoende procesbelang en dient het hoger beroep niet ontvankelijk te worden verklaard.

4. Uit hetgeen namens appellant ter zitting van de Raad naar voren is gebracht, heeft de Raad opgemaakt dat appellant van opvatting is dat het Uwv hem niet op juiste wijze heeft behandeld. Het is niet aan de Raad opgedragen over de wijze van behandeling van appellant door het Uwv een oordeel te geven. Met klachten over de wijze van behandeling dient appellant zich te wenden tot het Uwv. Voor het behandelen van klachten bestaat bij het Uwv een aparte procedure.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) J.R. Baas

NW