Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6063

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
11-1754 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het ten aanzien van appellant verrichte medische onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben op basis van dossierstudie, verkregen medische informatie en eigen onderzoek op een inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft onvoldoende reden om de onderzoeksbevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen in twijfel te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1754 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 maart 2011, 10/3764 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 29 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Strijbosch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als groepsleraar op een basisschool, ontvangt sinds 1991 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 21 april 2009, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 september 2009, is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 22 juni 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het Uwv heeft daarbij het standpunt ingenomen dat appellant geschikt is voor passende functies. Het beroep tegen de betreffende beslissing op bezwaar heeft de rechtbank bij uitspraak van 16 november 2010 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 22 februari 2012 (LJN BV6614) de uitspraak van de rechtbank van 16 november 2010 bevestigd.

1.2. Op 20 april 2010 heeft appellant zich ziek gemeld wegens toegenomen lichamelijke en psychische klachten. Appellant is in dat verband twee maal gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts, voor het laatst op 6 september 2010. De verzekeringsarts heeft appellant daarbij, na eigen onderzoek en verkregen informatie van de huisarts en de neuroloog, weer hersteld verklaard voor één van de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies. Bij besluit van 6 september 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 7 september 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld. Bij besluit van 20 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 15 oktober 2010 - ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij - kort samengevat - betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft in de door appellant in beroep overgelegde medische stukken geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de zienswijze van de verzekeringsartsen.

3. Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen en handhaaft hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Hij voegt daar nog aan toe dat zijn klachten ten onrechte steeds afzonderlijk en nooit in hun onderlinge samenhang zijn bezien. Voorts heeft appellant nadere medische stukken ingebracht en heeft hij verzocht een onafhankelijk deskundige in te schakelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde, na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering op grond van de WAO. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Het ten aanzien van appellant verrichte medische onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben op basis van dossierstudie, verkregen medische informatie en eigen onderzoek op een inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid.

4.3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft onvoldoende reden om de onderzoeksbevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Uit de informatie van de huisarts en de neuroloog kan niet worden afgeleid dat de belastbaarheid van appellant op de datum in geding is afgenomen, dan wel dat de destijds in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor de WAO gegeven beperkingen, waarbij ook de rugklachten en de depressieve klachten waren betrokken, niet meer toereikend zijn. Ook de in hoger beroep overgelegde medische stukken werpen geen ander licht op de zaak. Deze stukken hebben geen betrekking op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. Betreffende appellants stelling dat zijn klachten ten onrechte steeds afzonderlijk en nooit in hun onderlinge samenhang zijn bezien, wijst de Raad op de reactie van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in diens rapportage van 9 mei 2011.

4.4. Het feit dat aan appellant per 16 juni 2011 opnieuw een ZW-uitkering is toegekend, leidt niet tot een ander oordeel met betrekking tot de datum in geding, te weten 7 september 2010.

4.5. In het voorgaande ligt besloten dat er geen gronden aanwezig zijn om, zoals namens appellant is verzocht, een onafhankelijk deskundige te benoemen.

4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) I.J. Penning

NW