Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
12-79 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Nu appellante niet heeft aangevoerd of onderbouwd dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige vastgestelde beperkingen onjuist zijn dan wel dat zij meer of anders beperkt is, heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht geconcludeerd dat appellante met deze beperkingen de geduide functies kan verrichten. Hiermee is tevens gegeven dat er geen noodzaak bestaat tot het instellen van een neurologisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/79 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 december 2011, 11/305 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 29 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.J. Coxon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Coxon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. Het onderzoek ter zitting is geschorst, waarbij is afgesproken dat het Uwv het door appellante overgelegde bericht van neuroloog M.H. Christiaans van 3 mei 2011 aan de bezwaarverzekeringsarts zal voorleggen voor commentaar.

Het Uwv heeft vervolgens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 5 juli 2012 toegezonden, waarop appellante schriftelijk heeft gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontvangt sinds 1986 een WAO-uitkering vanwege psychische klachten berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is deze uitkering met ingang van 29 augustus 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Per 15 februari 2010 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld met een toename van psychische klachten/depressieve klachten. In dit verband is zij op 1 oktober 2010 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, die op basis van een anamnese, onderzoek van de psyche en informatie van de huisarts van 27 oktober 2010, geen toename van psychische beperkingen heeft vastgesteld en appellante per 15 februari 2010 geschikt heeft geacht voor haar arbeid.

1.3. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 3 november 2010 vastgesteld dat appellante per 15 februari 2010 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportages van 2 december 2010 en 16 december 2010 - bij besluit van 16 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep - na inschakeling van de deskundige psychiater G.T. Gerssen - ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen en de conclusies van Gerssen neergelegd in diens rapportage van 26 september 2011. De rechtbank heeft daarbij aangegeven dat de deskundige expliciet heeft vermeld dat appellante geschikt te achten is voor de in het kader van de eerdere

WAO-herbeoordeling geduide functies.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de deskundige niet, zoals de rechtbank oordeelt, heeft vermeld dat appellante geschikt te achten is voor de geduide functies en dat de rechtbank heeft miskend dat de deskundige het aangewezen acht nog een neurologisch onderzoek te laten verrichten.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. In dit geval betreft het de functies van inpakker, wasserijmedewerker en huishoudelijk medewerker gebouwen.

4.2. Appellante heeft terecht gewezen op het feit dat de deskundige niet heeft gesteld dat zij geschikt is te achten voor de geduide functies. Dit kan er echter niet toe leiden dat het hoger beroep slaagt. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapportage van 2 februari 2012 aangegeven dat de deskundige zich heeft beperkt tot het stellen van de diagnose aanpassingsstoornis en tot de beperkingen die daaruit voortvloeien. De bezwaarverzekeringsarts leest daarin geen argumenten om op basis van die aandoening af te wijken van de naar zijn idee ruime beperkingen welke in 2007 in rechte zijn komen vast te staan. Deze beperkingen zijn niet essentieel anders. Het Uwv heeft dan ook de conclusie kunnen trekken dat de functies geschikt zijn, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

Nu appellante niet heeft aangevoerd of onderbouwd dat de door de deskundige vastgestelde beperkingen onjuist zijn dan wel dat zij meer of anders beperkt is, heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht geconcludeerd dat appellante met deze beperkingen de geduide functies kan verrichten. Hiermee is tevens gegeven dat er geen noodzaak bestaat tot het instellen van een neurologisch onderzoek. Ook overigens is het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat in de gehele ziektegeschiedenis geen enkele objectieve medische informatie is ingebracht welke ook maar enigszins een somatische verklaring voor haar pijnklachten doet veronderstellen, niet onjuist te achten. Er bestaat in dit verband geen aanleiding voor twijfel aan het in de rapportage van 5 juli 2012 weergegeven standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de informatie van de neuroloog van 3 mei 2011 - die geen bijzondere afwijkingen dan wel somatisch substraat heeft vastgesteld - geheel in lijn is met hetgeen reeds bekend was en dat deze een bevestiging vormt van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.

5. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans

NW