Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6059

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
11-175 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning voorschot. Omdat de werkloosheid van appellante is ingetreden op 11 februari 2008 loopt de periode die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren per week vanaf 26 weken voorafgaande aan 11 februari 2008. Dat is de periode van 13 augustus 2007 tot 11 februari 2008. Appellante heeft in die periode geen werkzaamheden verricht in dienst van [Y. B.V.], want de dienstbetrekking met [Y. B.V.] was volgens appellante al met ingang van 8 januari 2007 beëindigd. Met de bij [Y. B.V.] gewerkte uren is dan ook terecht, zij het op andere gronden dan het Uwv en de rechtbank hebben aangenomen, geen rekening gehouden. Dit betekent dat het arbeidsurenverlies van appellante met ingang van 11 februari 2008 terecht is vastgesteld op vijf uur per week. Nu de rechtbank niet heeft onderkend dat aan het bestreden besluit een onjuiste lezing van artikel 16, tweede lid, van de WW ten grondslag ligt en daarom ondeugdelijk is gemotiveerd worden de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigd. De rechtsgevolgen blijven geheel in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/175 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 2 december 2010, 09/1033 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.W.C. Lipman hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Diesfeldt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was met ingang van 1 juli 2004 voor vijf uur per week werkzaam als schoonmaakster in dienst van [X. B.V.]. Met ingang van 3 januari 2005 verrichtte zij zeven en een half uur per week schoonmaakwerkzaamheden in dienst van [Y. B.V.].

1.2. Appellante heeft zich op 14 februari 2005 ziek gemeld voor haar werkzaamheden bij [Y. B.V.] en [X. B.V.]. [Y. B.V.] heeft appellante met ingang van 15 mei 2006 hersteld gemeld, maar appellante heeft haar werkzaamheden bij [Y. B.V.] niet hervat, omdat zij zichzelf daartoe nog niet in staat achtte. Vanaf 22 mei 2006 heeft [Y. B.V.] appellante geen loon meer betaald. Naar mededeling van appellante is de dienstbetrekking met [Y. B.V.] beëindigd met ingang van 8 januari 2007. [X. B.V.] heeft appellante loon doorbetaald tot 11 februari 2008. Het Uwv heeft een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 11 februari 2008 afgewezen. Appellante heeft zowel hiertegen bezwaar gemaakt als een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

1.3. Bij besluit van 16 juni 2008 heeft het Uwv appellante met ingang van 11 februari 2008 een voorschot op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend, berekend naar een arbeidsurenverlies van vijf. Bij besluit van 12 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 juni 2008 ongegrond verklaard. Voor de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren waarin appellante laatstelijk voor het intreden van haar werkloosheid werkzaam was heeft het Uwv de werkzaamheden van appellante bij [Y. B.V.] buiten beschouwing gelaten, omdat uit die dienstbetrekking geen recht op een WW-uitkering is ontstaan, nu appellante die werkzaamheden niet gedurende ten minste 26 weken heeft verricht. De werkzaamheden bij [R.] zijn buiten beschouwing gebleven omdat die op 11 februari 2008 niet waren beëindigd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv bij het vaststellen van de omvang van het WW-recht van appellante terecht geen rekening gehouden met het arbeidsurenverlies bij [Y. B.V.], omdat appellante in de periode van 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan 14 februari 2005 niet in ten minste 26 weken bij [Y. B.V.] heeft gewerkt.

3. Appellante heeft in hoger beroep wederom gesteld dat het Uwv bij de vaststelling van de hoogte van het voorschot ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het verlies aan arbeidsuren uit haar dienstbetrekking bij [Y. B.V.]. Appellante heeft hierbij aangevoerd dat zij feitelijk al vanaf 2000 in dienst was van [Y. B.V.] en dat uit dat dienstverband een WW-recht is ontstaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn aantal arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. In het tweede lid van artikel 16 van de WW, voor zover hier van belang, is bepaald dat onder de in het eerste lid bedoeld arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht. In de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren (Regeling) zijn regels gesteld omtrent de gelijkstelling van uren waarin geen arbeid is verricht met arbeidsuren.

4.2. In artikel 17 van de WW is bepaald dat recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht (wekeneis).

4.3. Niet in geschil is dat appellante per 11 februari 2008 voldeed aan de wekeneis. Partijen zijn slechts verdeeld over de vraag of de werkzaamheden bij [Y. B.V.] terecht buiten beschouwing zijn gebleven bij de vaststelling van de omvang van het WW-recht van appellante.

4.4. Uit artikel 16, tweede lid, van de WW volgt dat het arbeidsurenverlies wordt berekend door het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht te vergelijken met het aantal uren dat hij nog werkt. Anders dan het Uwv en de rechtbank menen is hierbij niet vereist dat die werkzaamheden gedurende een bepaalde periode zijn verricht. Artikel 16, tweede lid, van de WW bevat een dergelijke eis niet.

4.5. Omdat de werkloosheid van appellante is ingetreden op 11 februari 2008 loopt de periode die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren per week vanaf 26 weken voorafgaande aan 11 februari 2008. Dat is de periode van 13 augustus 2007 tot 11 februari 2008. Appellante heeft in die periode geen werkzaamheden verricht in dienst van [Y. B.V.], want de dienstbetrekking met [Y. B.V.] was volgens appellante al met ingang van 8 januari 2007 beëindigd. Met de bij [Y. B.V.] gewerkte uren is dan ook terecht, zij het op andere gronden dan het Uwv en de rechtbank hebben aangenomen, geen rekening gehouden. Dit betekent dat het arbeidsurenverlies van appellante met ingang van 11 februari 2008 terecht is vastgesteld op vijf uur per week.

4.6. Voor zover appellante nog heeft aangevoerd dat zij recht heeft op een WW-uitkering uit hoofde van haar dienstbetrekking met [Y. B.V.] geldt dat met betrekking tot dat vermeende recht geen besluit voorligt, zodat daarover geen oordeel kan worden geven.

4.7. Nu de rechtbank niet heeft onderkend dat aan het bestreden besluit een onjuiste lezing van artikel 16, tweede lid, van de WW ten grondslag ligt en daarom ondeugdelijk is gemotiveerd komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

4.8. Uit 4.5 volgt dat de WW-uitkering van appellante terecht is berekend naar een arbeidsurenverlies van vijf per week. Om die reden zal, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Voor toekenning van schadevergoeding bestaat geen grond.

4.9. Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op € 1.196,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 februari 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.196,- te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en H. Bolt en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D. Heeremans

NW