Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6058

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
11-2487 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Er bestaat geen aanleiding om het medisch onderzoek van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zonder nadere medische onderbouwing, leidt niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellant niet ongeschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk in de functie van chauffeur/meewerkend voorman in de tuinbouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2487 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 maart 2011, 10/3347 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 29 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2012. Namens appellant is mr. Brouwer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1. Appellant, laatstelijk werkzaam als chauffeur/meewerkend voorman in de tuinbouw, heeft zich vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet ontving per 30 december 2008 ziek gemeld wegens forse pijnklachten aan de onderrug en het bekken. Appellant heeft meerdere malen het spreekuur van de bedrijfsarts R.D. Bol Raap en de verzekeringsarts E.N. Ali bezocht. Na het laatste spreekuur van 4 maart 2010 is de verzekeringsarts Ali tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 8 maart 2010 geschikt is te achten voor zijn arbeid. Bij besluit van 4 maart 2010 is de Ziektewetuitkering van appellant beëindigd met ingang van 8 maart 2010. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 april 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer van 7 april 2010 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij - kort samengevat - betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft in de door appellant in beroep overgelegde informatie van de behandelend sector geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de zienswijze van de (bezwaar)verzekeringsartsen.

3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat grotendeels een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Appellant is van mening dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen niet onzorgvuldig is geweest. Appellant benadrukt - kort samengevat - dat onvoldoende rekening is gehouden met de (geobjectiveerde) klachten en ten onrechte is aangenomen dat hij met zijn forse pijnklachten en de voorgeschreven medicatie in staat is zijn eigen werk te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gereken, recht op ziekengeld.

4.2. Er bestaat geen aanleiding om het medisch onderzoek van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Het enkele feit dat de bezwaarverzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek heeft verricht betekent niet dat het medisch onderzoek als onvoldoende zorgvuldig moet worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat bezwaarverzekeringsarts appellant op de hoorzitting heeft gezien en hem over zijn klachten heeft bevraagd. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van alle reeds aanwezige medische gegevens, waaronder de informatie van de internist-nefroloog dr. P.K. Chandie Shaw van 15 mei 2009 waaruit blijkt dat appellant bekend is met retroperitioneale fibrose. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts na de hoorzitting nog telefonisch overleg gehad met appellant. Op grond van alle dossiergegevens alsmede de verklaringen van appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat appellant, ondanks zijn pijnklachten waarvoor in een beperkte mate een verklaring is gevonden, geschikt is voor zijn arbeid. De bezwaarverzekeringsarts achtte het niet noodzakelijk om nadere informatie op te vragen bij de internist dan wel de chirurg.

4.3. Uit de in beroep overgelegde informatie van internist-nefroloog Chandie Shaw van 9 juli 2010 blijkt dat appellant sedert 2009 opnieuw pseudoradiculaire klachten heeft waarvoor de neuroloog geen verklaring kon vinden. CT-onderzoek liet een ongewijzigd rest-fibrose zien ten opzichte van de eerdere onderzoeken. De internist-nefroloog kan niet volledig uitsluiten dat appellant toch pijnklachten ervaart door de lichte retroperitoneale fibrose en verwijst appellant voor het uitsluiten van een andere aandoening naar de reumatoloog. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 12 augustus 2010 voldoende gemotiveerd aangegeven waarom de informatie van de internist-nefroloog hem geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

4.4. Ook de in beroep overgelegde informatie van reumatoloog dr. P.D.M. de Buck van 23 november 2010 werpt geen ander licht op de zaak. Op grond van de door de reumatoloog gestelde degeneratieve afwijkingen in de bekken en de lage rug dient appellant volgens de bezwaarverzekeringsarts extremen in de belasting te vermijden. Voor het overige zijn er geen beperkingen aan te verbinden. Er is geen reden voor twijfel aan de juistheid van de reactie van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in zijn rapport van

2 december 2010.

4.5. Betreffende het in hoger beroep ingenomen standpunt van appellant dat de aan hem voorgeschreven medicatie een negatieve invloed heeft op zijn reactie- en concentratievermogen, hetgeen hem ongeschikt maakt voor zijn werk als chauffeur, wijst de Raad op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 27 juli 2011 waarin deze adequaat op voornoemd standpunt heeft gereageerd. Uit de stukken is ook niet gebleken dat deelname aan het verkeer door een arts is ontraden.

4.6. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zonder nadere medische onderbouwing, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het vorenstaande heeft het Uwv inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellant per 8 maart 2010 niet ongeschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk in de functie van chauffeur/meewerkend voorman in de tuinbouw.

4.7. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van E.H. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) E.H. Heemsbergen

IvR