Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
11-258 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning WAO-uitkering. De rechtbank heeft terecht geen reden gezien om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, dat er rond maart 2003 geen sprake was van een toename van de rugklachten van appellante binnen 5 jaar na intrekking van de WAO-uitkering, voor onjuist te houden. Van de kant van appellante zijn geen medische stukken ingediend die aan die conclusie doen twijfelen. Aangezien er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde oorzaak, heeft het Uwv terecht geweigerd om aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/258 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 december 2010, 10/1859 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 24 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2012. Voor appellante is verschenen mr. Van de Wetering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van het Uwv van 1 februari 2010, waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit appellante geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen met inachtneming van een wachttijd van vier weken (de zogenoemde Amber-regeling) aangezien de toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak.

1.2. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat het Uwv een eerdere aanvraag van appellante, gedateerd 25 april 2001, haar een WAO-uitkering toe te kennen heeft afgewezen, omdat de naar aanleiding van die aanvraag vastgestelde arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak dan die waarvoor zij de WAO-uitkering heeft genoten die per 24 april 2000 is ingetrokken. Het beroep van appellante tegen de desbetreffende beslissing is door de rechtbank bij uitspraak van 7 februari 2003 ongegrond verklaard. In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de per 24 april 2000 ingetrokken WAO-uitkering uitsluitend was gebaseerd op beperkingen ten aanzien van de rug van appellante en niet op andere medische beperkingen. Tegen deze uitspraak heeft appellante geen hoger beroep ingesteld.

1.3. De rechtbank heeft geen reden gezien om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, dat er rond maart 2003 geen sprake was van een toename van de rugklachten van appellante binnen 5 jaar na intrekking van de WAO-uitkering, voor onjuist te houden. Van de kant van appellante zijn geen medische stukken ingediend die aan die conclusie doen twijfelen.

1.4. Aangezien er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde oorzaak, heeft het Uwv terecht geweigerd om aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen, aldus de rechtbank.

2. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitspraak van 7 februari 2003 eraan in de weg staat dat aan appellante op basis van haar binnen vijf jaar na de intrekking van de uitkering verslechterde medische toestand krachtens het bepaalde in artikel 43a van de WAO een uitkering wordt toegekend. Appellante houdt staande dat haar met ingang van 1 maart 2003 (of enige datum gelegen in die maand) een

WAO-uitkering toekomt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

3.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de op de zogeheten Brummendoctrine gebaseerde overwegingen die de rechtbank daartoe hebben geleid. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische stukken ingediend die toegenomen rugklachten aannemelijk maken. Op grond van hetgeen appellante heeft aangevoerd kan evenmin tot het oordeel worden gekomen dat het oordeel van de rechtbank anderszins onjuist is.

3.2. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Brand en R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M.R. Schuurman

NW