Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
11-1614 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Appellante is terecht geschikt geacht voor haar arbeid. In de gedingstukken is geen basis te vinden op grond waarvan gezegd zou moeten worden dat appellante om objectief medische redenen niet in staat zou kunnen worden geacht tot autorijden of gebruik van het openbaar vervoer. Van onoverkomelijke problemen met betrekking tot de gehoorproblemen van appellante is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1614 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 januari 2011, 10/1055 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2012. Appellante en mr. J.G.H. van der Kolk, kantoorgenoot van mr. Visser, waren aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, werkzaam als WVG-consulente voor 32 uur per week, heeft zich op 5 januari 2001 ziek gemeld in verband met, onder andere oorklachten. Aan haar is met ingang van 25 december 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Voor die datum had appellante al hervat in het eigen werk van WVG-consulente voor 24 uur per week, welk werk zij heeft voortgezet tot het einde van het contract, 1 september 2002. Nadien heeft zij naast haar WAO-uitkering een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Vanuit de situatie dat zij laatstgenoemde uitkering ontving heeft zij zich ingaande 11 augustus 2008 ziek gemeld in verband met, onder meer, gehoorklachten (tinnitus), hand- en vingerklachten, nek- en schouderklachten en klachten in verband met vermoeidheid. Bij besluit van 23 september 2008 heeft het Uwv ingaande 24 september 2008 verdere uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd; daaraan lag ten grondslag dat zij geschikt is te achten voor ten minste één van de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies. Het door appellante tegen het besluit van 23 september 2008 gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 december 2008 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 januari 2010, 08/2861, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 december 2008 vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, zoals het Uwv ook zelf al had erkend, ten onrechte als maatstaf voor de in het kader van de ZW in aanmerking te nemen arbeid één van de bij de WAO-beoordeling geselecteerde functies was genomen en dat arbeid als WVG-consulente als zodanig aangemerkt had moeten worden.

2.2. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust en heeft een arbeidskundig onderzoek laten instellen. De bezwaararbeidsdeskundige B.H.M. Bootsma is in zijn rapport van 4 mei 2010 tot de conclusie gekomen dat appellante, mede gelet op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 december 2008, geschikt is te achten voor arbeid als WVG-consulente voor 24 uur per week. Het Uwv heeft vervolgens het bezwaar van appellante bij besluit van 7 mei 2010 (bestreden besluit) wederom ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat arbeid als WVG-consulente met recht als maatstaf voor de arbeid als bedoeld in artikel 19 van de ZW in aanmerking is genomen. De bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemer heeft in het rapport van 11 december 2008 in voldoende mate de verschillende medische problemen van appellante besproken en afdoende gemotiveerd waarom deze gezondheidsklachten haar niet verhinderen om de in aanmerking genomen arbeid te verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige Bootsma heeft eveneens voldoende gemotiveerd dat de gehoorproblemen van appellante geen beletsel vormen voor het uitoefenen van de functie van WVG-consulente. Voor zover appellante heeft gesteld dat haar laatstelijk uitgeoefende functie lange reistijden meebracht - zij was op basis van detachering werkzaam en deed haar werk vanuit verschillende standplaatsen - heeft de rechtbank overwogen dat uit het rapport van Bootsma kan worden afgeleid dat dit soort werk niet meer beschikbaar is; het Uwv behoefde derhalve met dit bijzondere aspect geen rekening te houden.

4. Appellante heeft in hoger beroep benadrukt dat de functie van inmiddels WMO-consulente nog steeds ook in die vorm voorkomt dat vanuit verschillende standplaatsen (gemeentehuizen) moet worden gewerkt en dat zij haar arbeid destijds juist in verband met de lange reistijden, in relatie tot haar vermoeidheidsklachten, niet heeft kunnen volhouden. Tevens heeft zij aangegeven dat haar gehoorproblemen, met name bij het kantoorwerk (in een lawaaiige omgeving), meebrengen dat zij niet geschikt is voor dit werk.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De rechtbank heeft in de onder vermelde uitspraak van 13 januari 2010 geoordeeld dat de voor toepassing van artikel 19 van de ZW in aanmerking te nemen arbeid de arbeid is als WVG consulente zoals appellante die voor haar ziekmelding (in 2008) verrichtte. Geen van beide partijen heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Voormeld oordeel over de in aanmerking te nemen arbeid is derhalve rechtens onaantastbaar geworden.

5.2. Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de belasting verbonden aan het woon-werk verkeer en de gehoorklachten van appellante meebrengen dat zij ten onrechte geschikt is verklaard voor het verrichten van haar arbeid.

5.3. Als onder 4 aangegeven gaat het hier niet om regulier woon-werk verkeer maar om het reizen tussen de woonplaats en verschillende standplaatsen. In de gedingstukken is echter geen basis te vinden op grond waarvan gezegd zou moeten worden dat appellante om objectief medische redenen niet in staat zou kunnen worden geacht tot autorijden of gebruik van het openbaar vervoer in de hiervoor bedoelde situatie. In de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 23 december 2008 is geen beperking op het punt van het vervoer opgenomen. Met betrekking tot de klachten inzake vermoeidheid, die volgens appellante het vele reizen onmogelijk zouden maken, heeft Zwemer in het eerder genoemde rapport van 11 december 2008 voldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van een zodanig ernstige aandoening dat vanuit objectief medisch standpunt gezien de noodzaak van extra rustbehoefte bestaat. Voor het overige is weliswaar sprake van een combinatie van gezondheidsklachten, maar deze vormen geen wezenlijke belemmering voor het woon-werk verkeer zoals door appellante geschetst.

5.4. Met betrekking tot de gehoorproblemen van appellante wordt gewezen op een rapport van de klinischfysicus-audioloog i.o. H.W. Helleman waaruit naar voren komt dat appellante vooral hinder van haar minder goede gehoor ondervindt in een rumoerige omgeving. De bezwaararbeidsdeskundige Bootsma heeft in zijn rapport van 4 mei 2010 in voldoende mate uiteengezet dat er bij het huisbezoek en de intake die normaliter in een spreekkamer plaats zal vinden geen problemen behoeven te ontstaan. Alleen bij het kantoorwerk, dat wil zeggen bij het op kantoor uitwerken van de aanvragen, ligt dit anders omdat zij dan doorgaans met meerdere collega's op één kamer zal zitten. Van onoverkomelijke problemen is echter geen sprake, nu dit slechts een klein deel van het werk betreft en het daarbij juist niet gaat om gesprekken met cliënten.

5.5. Wat betreft de overige gezondheidsklachten van appellante zij verwezen naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Zwemer van 11 december 2008 en 15 januari 2009. De overwegingen van de rechtbank ter zake kunnen worden onderschreven.

5.6. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) Z. Karekezi

GdJ