Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
11-572 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geen proceskostenveroordeling in beroep. Nu niet is gebleken dat appellant kosten heeft gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bestaat reeds hierom geen grond meer voor een veroordeling tot vergoeding van de kosten in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/572 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 december 2010, 10/3299 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

Datum uitspraak 28 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.Th.H.M.J. Aarts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2012. Voor appellant is verschenen mr. Aarts. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 29 april 2010 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van een bril afgewezen. Mr. B.E.A. Tijssen heeft namens appellant bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 april 2010 gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan appellant is bijzondere bijstand verstrekt voor de maximaal te vergoeden kosten van een bril. Verzuimd is een beslissing te nemen op het verzoek om vergoeding van de door appellant gemaakte kosten in de bestuurlijke voorprocedure.

1.3. Bij aanvullende beslissing op bezwaar van 30 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het verzoek om vergoeding van de kosten van de bestuurlijke voorprocedure afgewezen. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat in eerste instantie terecht de aanvraag voor bijzondere bijstand is afgewezen. Het bezwaar is door het college gedeeltelijk gegrond verklaard, maar doordat eerst in bezwaar aanvullende informatie is aangeleverd, was er geen sprake van een aan het college te wijten onrechtmatig primair besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de onrechtmatigheid van het besluit wel te wijten is aan het college. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen in stand gelaten omdat zij van oordeel is dat geen sprake is van kosten die gemaakt zijn door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleende als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpr).

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft - kort samengevat - aangevoerd dat zijn bewindvoerder in haar hoedanigheid als beroepsmatig werkzame juridisch adviseur bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 29 april 2010. Als bewindvoerder valt zij onder het bereik van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpr.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpr bepaalt, voor zover hier van belang, dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking kan hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

4.2. Aan appellant zijn voor de door de bewindvoerder verleende rechtsbijstand geen kosten in rekening gebracht. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant dit ter zitting van de Raad bevestigd. Nu derhalve niet is gebleken dat appellant kosten heeft gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpr, bestaat reeds hierom geen grond meer voor een veroordeling tot vergoeding van de kosten in bezwaar. Het ter zitting van de Raad gedane beroep van appellant op het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel merkt de Raad als tardief aan, omdat deze beroepsgronden zonder noodzaak eerst ter zitting naar voren zijn gebracht en het college daarop niet heeft kunnen reageren. Om die reden worden deze beroepsgronden buiten bespreking gelaten.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.F. Bandringa en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2012

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J. van Dam

HD