Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5845

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
11-5565 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WW-uitkering. Verblijf buiten Nederland. Het bestreden besluit heeft een motiveringsgebrek. Het Uwv is er ten onrechte ervan uitgegaan dat aan het verblijf van appellante in Nederland op verschillende dagen in de periode van 10 november 2006 tot 1 september 2007 geen betekenis toekomt. Vernietiging aangevallen uitspraak. De bij het fraudeonderzoek verzamelde gegevens bieden een voldoende basis om aan te nemen dat appellante steeds daags na een of meer in Nederland verrichte handelingen weer naar Spanje is gereisd en daar heeft verbleven tot het moment waarop uit het verrichten van een of meer handelingen in Nederland een volgende beëindiging van haar verblijf in Spanje kan worden afgeleid. In het licht van de verzamelde gegevens is het aan appellante om aan te tonen dat rondom de door haar in Nederland verrichte handelingen van een langer verblijf in Nederland sprake is geweest. In dat bewijs is appellante niet geslaagd. Voor zover de dagen dat appellante volgens de beschikbare gegeven is Nederland heeft verbleven niet een zaterdag of zondag zijn, heeft appellante over die dagen recht op WW-uitkering behouden. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De Raad voorziet zelf in de zaak door zelf het recht op WW-uitkering vast te stellen en dit bedrag op het terugvorderingsbedrag in mindering te brengen.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 19
Werkloosheidswet 20
Werkloosheidswet 22a
Werkloosheidswet 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/277

Uitspraak

11/5565 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 augustus 2011, 11/19 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 22 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer van de Raad op 15 februari 2012. Appellante is verschenen en bijgestaan door J. Bijkerk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om appellante in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te zenden. Appellante heeft bij brief van 14 mei 2012 stukken ingediend.

De enkelvoudige kamer van de Raad heeft de zaak voor verdere behandeling verwezen naar een meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 1 augustus 2012. Appellante is verschenen en bijgestaan door J. Bijkerk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft vanaf 15 mei 2006 een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 12 juni 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat het recht van appellante op WW-uitkering met ingang van 27 oktober 2006 is geëindigd. Met gegevens die bij een fraudeonderzoek zijn verkregen is volgens het Uwv komen vast te staan dat appellante vanaf 27 oktober 2006, anders dan wegens vakantie, in het buitenland heeft verbleven. Aan onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 27 oktober 2006 tot en met 18 november 2007 heeft het Uwv van appellante een bedrag van € 27.073,58 teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 29 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juni 2009 ongegrond verklaard en zijn besluit dat appellante met ingang van 27 oktober 2006 niet langer recht heeft op WW-uitkering gehandhaafd. Het Uwv heeft geen dringende redenen aanwezig geacht op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering zou moeten worden afgezien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Dit oordeel heeft de rechtbank - samengevat - gebaseerd op de volgende feiten:

- vanaf 27 oktober 2006 is zeer regelmatig in Spanje gepind met een bankpasje dat appellante volgens haar eerste afgelegde verklaring altijd bij zich had,

- een van de in het kader van het fraudeonderzoek gehoorde personen heeft op 5 december 2008 verklaard dat appellante al zo’n twee jaar in Spanje zit,

- verschillende personen, die in het kader van het fraudeonderzoek zijn ondervraagd, hebben verklaard dat appellante in Spanje wekelijks boodschappen deed en gedurende verschillende perioden werkzaamheden heeft verricht en

- appellante heeft niet duidelijk kunnen maken op welk adres zij vanaf 27 oktober 2006 in Nederland zou hebben verbleven.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij onafgebroken in Nederland heeft gewoond en vanaf 27 oktober 2006 uitsluitend gedurende verschillende perioden in Spanje op vakantie is geweest. Volgens appellante heeft het Uwv met alle verzamelde gegevens geen bewijs van haar verblijf in Spanje, anders dan wegens vakantie, geleverd. Zij heeft daarbij onder andere gewezen op stukken die aantonen dat zij in 2006 en 2007 gebruik heeft gemaakt van de Nederlandse gezondheidszorg, op een verklaring van een filiaalmanager van een Spaanse supermarkt dat zij daar niet in vaste dienst is geweest en op een verklaring van een vriendin dat appellante in 2006 en 2007 grotendeels bij deze vriendin in Hengelo heeft gewoond.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW eindigt het recht op uitkering zodra sprake is van een zogenoemde uitsluitingsgrond als omschreven in

artikel 19 van de WW.

4.1.2. Op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW heeft de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie geen recht op uitkering.

4.1.3. Op grond van artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht op verzoek van het Uwv of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het Uwv, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering.

4.1.4. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering of trekt hij deze in als het niet of niet behoorlijk nakomen van de mededelingsplicht van artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

4.1.5. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering of trekt hij deze in als het niet behoorlijk nakomen van de mededelingsplicht ertoe leidt dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

4.2.1. Ter zitting heeft het Uwv naar voren gebracht dat de resultaten van het fraudeonderzoek niet slechts uitwijzen dat appellante vanaf 27 oktober 2006 in overwegende mate in Spanje heeft verbleven, maar dat daaruit ook is af te leiden dat zij vanaf die datum in Spanje heeft gewoond.

4.2.2. De Raad zal eerst een oordeel geven over de meest ver strekkende opvatting dat appellante vanaf 27 oktober 2006 in Spanje heeft gewoond en dat vanaf die datum haar verblijf in Nederland, dat steeds van korte duur is geweest, moet worden aangemerkt als vakantie. Voor deze opvatting van het Uwv zijn in het dossier niet voldoende aanknopingspunten te vinden. Dat appellante in Spanje met enige regelmaat geld heeft opgenomen en pinbetalingen heeft verricht is ook in combinatie met hetgeen getuigen hebben verklaard over de momenten waarop en de hoedanigheden waarin zij in Spanje met appellante contact hebben gehad, niet genoeg om aan te nemen dat op en na 27 oktober 2006 sprake is geweest van een situatie waarin appellante haar woonplaats van Nederland naar Spanje had verplaatst. Het staat immers vast dat appellante belangrijke banden met Nederland heeft behouden.

4.2.3. Uit 4.2.2 volgt dat ter beoordeling is of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat appellante vanaf 27 oktober 2006 gedurende een zodanige periode anders dan wegens vakantie in Spanje heeft verbleven dat het Uwv terecht de WW-uitkering van appellante met terugwerkende kracht tot 27 oktober 2006 heeft beëindigd.

4.3. De Raad stelt voorop dat appellante, door aan het Uwv geen melding te doen van haar verblijf in Spanje gedurende verschillende perioden in de jaren 2006 en 2007, de mededelingsplicht van artikel 25 van de WW heeft geschonden. Niet in geschil is dat appellante, ook als sprake zou zijn geweest van in Spanje doorgebrachte vakanties, van haar verblijf buiten Nederland geen opgave heeft gedaan. Verder heeft appellante erkend dat zij in de maanden september, oktober en november 2007 onafgebroken in Spanje heeft verbleven.

4.4.1. Het Uwv moet met verifieerbare gegevens aannemelijk maken dat met ingang van 27 oktober 2006 op appellante de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW van toepassing is. Voor het van toepassing zijn van de uitsluitingsgrond is vereist dat feitelijk verblijf van appellante in Spanje is komen vast te staan. Anders dan het Uwv in het bestreden besluit tot uitgangspunt heeft genomen, is voor het toepassen van de uitsluitingsgrond vanaf 27 oktober 2006 totdat op 18 november 2007 de maximale uitkeringstermijn werd bereikt niet voldoende dat appellante gedurende die periode in overwegende mate in Spanje heeft verbleven.

4.4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft aangenomen dat het verblijf van appellante in Spanje, gelet op een geldopname van die datum, op 27 oktober 2006 is aangevangen. Van een ononderbroken verblijf van appellante in Spanje is vanaf die datum geen sprake geweest. Als vaststaand kan worden aangenomen dat appellante gedurende verschillende (korte) perioden in 2006 en 2007 in Nederland heeft verbleven. Daarbij gaat het om de volgende dagen, af te leiden uit de telkens tussen haakjes vermelde handelingen die appellante volgens de dossierstukken in Nederland heeft verricht: 10 en 11 november 2006 (pinbetalingen), 13 december 2006 (medicijnafname van apotheek), 1 tot en met 5 maart 2007 (bezoek aan huisarts, betaling met creditcard en medicijnafname van apotheek), 2 tot en met 8 mei 2007 (verlenging van rijbewijs, betaling met creditcard en medicijnafname apotheek) en 6 juli 2007 (bezoek aan Vodafone winkel Hengelo). Op deze dagen heeft appellante dus niet in Spanje verbleven.

4.4.3. Uit 4.3 tot en met 4.4.2 volgt dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek heeft. Bij dat besluit is het Uwv immers ten onrechte ervan uitgegaan dat aan het verblijf van appellante in Nederland op verschillende dagen in de periode van 10 november 2006 tot 1 september 2007 geen betekenis toekomt. Dat betekent dat het besluit niet voldoet aan de eis van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat een beslissing op bezwaar moet berusten op een deugdelijke motivering, en daarom moet worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, omdat daarbij het bestreden besluit in stand is gelaten. De Raad zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven dan wel op andere wijze tot een finale beslechting van het geschil kan worden gekomen.

4.5.1. Het Uwv kan worden gevolgd in zijn opvatting dat met alle bij het fraudeonderzoek verzamelde gegevens in ieder geval is aangetoond dat appellante in de periode van 27 oktober 2006 tot 18 november 2007 veelvuldig in Spanje heeft verbleven. De rechtbank heeft het bewijsmateriaal in de aangevallen uitspraak besproken en gewogen en de Raad kent aan de rekeningoverzichten en alle afgelegde verklaringen geen andere waarde toe dan de rechtbank daaraan heeft gegeven.

4.5.2. De door appellante in hoger beroep ingebrachte verklaring van filiaalmanager [naam filiaalmanager] nuanceert de door de eigenaren van de Super Holland Supermarkten in [vestigingsplaats] slechts in die zin dat appellante daar in de maanden augustus en september 2007 niet in een vast dienstverband maar als oproepkracht heeft gewerkt. De verklaring van [H.] van 12 mei 2012, die appellante in hoger beroep heeft ingezonden, voegt niets toe aan de eerdere ongedateerde verklaring van [H.] dat appellante in 2006 en 2007 voor langere tijd bij haar heeft gelogeerd. Enige aanduiding van de perioden waarin appellante bij [H.] heeft verbleven is niet gegeven. De visie van [H.] dat appellante in 2006 en 2007 de meeste tijd in haar huis is geweest, staat in schril contrast met de verklaring van appellante dat zij in die jaren, voor zover zij niet in Spanje op vakantie was, gedurende ongeveer 80% bij haar broer heeft gewoond. Beide verklaringen leiden niet tot een ander oordeel over het verblijf van appellante in Spanje in de jaren 2006 en 2007.

4.6. De bij het fraudeonderzoek verzamelde gegevens bieden een voldoende basis om aan te nemen dat appellante steeds daags na een of meer in Nederland verrichte, in 4.4.2 besproken, handelingen weer naar Spanje is gereisd en daar heeft verbleven tot het moment waarop uit het verrichten van een of meer handelingen in Nederland een volgende beëindiging van haar verblijf in Spanje kan worden afgeleid. In het licht van de verzamelde gegevens is het aan appellante om aan te tonen dat rondom de door haar in Nederland verrichte handelingen van een langer verblijf in Nederland sprake is geweest. In dat bewijs is appellante met de in 4.5.3 besproken verklaring van [H.] en de door de rechtbank besproken verklaring van [P.], die heeft verklaard dat zij appellante meermalen bij [H.] heeft getroffen, niet geslaagd.

4.7. Voor zover, uitgaande van een verblijf van appellante in Spanje van 27 oktober 2006 tot en met 9 november 2006 en een verblijf van appellante in Nederland op 10 en 11 november 2006, onduidelijk is waar appellante vanaf 12 november 2006 heeft verbleven, verplicht artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW het Uwv om de WW-uitkering, waarop met ingang van 10 november 2006 weer recht is ontstaan, met ingang van 12 november 2006 weer in te trekken. Na afloop van de overige in 4.4.2 genoemde perioden, waarin appellante nadien in Nederland heeft verbleven, geldt eveneens dat genoemd artikel het Uwv tot intrekking van de WW-uitkering verplicht.

4.8. De conclusie is dat het Uwv niet over de gehele periode van 27 oktober 2006 tot en met 18 november 2007 tot intrekking van de WW-uitkering heeft kunnen besluiten. Voor zover de in 4.4.2 genoemde dagen niet een zaterdag of zondag zijn, heeft appellante over die dagen recht op WW-uitkering behouden. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Het besluit van 12 juni 2009 is terecht ingetrokken over de periode van 27 oktober 2006 tot en met 9 november 2006, van 12 november 2006 tot en met 12 december 2006, van 14 december 2006 tot en met 28 februari 2007, van 6 maart 2007 tot en met 1 mei 2007, van 9 mei 2007 tot en met 5 juli 2007 en van 7 juli 2007 tot en met

18 november 2007.

4.9.1. De Raad kan zelf in de zaak voorzien, omdat uit de door het Uwv gegeven specificatie van de terugvordering de hoogte van de WW-uitkering per dag is af te leiden door het bruto uitkeringsbedrag per week te delen door vijf.

4.9.2. Over de in 4.4.2 genoemde dagen, die geen zaterdagen of zondagen zijn, heeft appellante recht op een WW-uitkering van:

- 10 november 2006 en 13 december 2006: 2 x € 90,14;

- 1 maart tot en met 5 maart 2007: 3 x € 91,27;

- 2 mei tot en met 8 mei 2007: 5 x € 91,27;

- 6 juli 2007: 1 x € 92,42.

Het totale uitkeringsrecht over deze elf dagen is € 1.002,86.

4.9.3. Het bedrag van € 1.002,86 komt in mindering op het terugvorderingsbedrag van

€ 27.073,58, zodat een terugvordering van € 26.070,72 resteert.

4.10. De Raad zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen besluit. In het betoog van appellante ter zitting van de enkelvoudige kamer dat het ontbreken van communicatie tussen het Uwv en appellante ertoe zou moeten leiden dat de terugvordering wordt beperkt tot een periode van zes maanden, is geen dringende reden gelegen om te oordelen dat het Uwv gedeeltelijk zou moeten afzien van hetgeen aan appellante aan

WW-uitkering teveel is betaald.

4.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat van voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komende proceskosten van appellante niet is gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 29 november 2010 gegrond en vernietigt dit besluit;

-bepaalt dat de intrekking van het besluit van 12 juni 2009 beperkt blijft tot de in 4.8 genoemde perioden;

-stelt het bedrag van de terugvordering vast op € 26.070,72;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) L. van Eijndthoven

EV