Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5820

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
11-1512 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting bezoldiging. Niet aannemelijk is geworden dat de door appellant ondervonden klachten in overwegende mate in verband staan met de door hem verrichte werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/18
Module Ambtenarenrecht 2013/1491

Uitspraak

11/1512 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 januari 2011, 10/1731 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak: 9 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.A.M. van der Zandt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.J. Bloem-Timmermans, advocaat, en mr. R.N.T.J. Adriaans.

OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft op 23 mei 2012 en 1 juni 2012 nadere stukken ingezonden, die op respectievelijk 25 mei 2012 en 4 juni 2012 door de Raad zijn ontvangen. Het college heeft betoogd dat deze stukken in een zo laat stadium van de procedure in het geding zijn gebracht dat de Raad deze stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing zou moeten laten. De Raad volgt het college hierin niet. De Raad stelt eerst vast dat de op 23 mei 2012 ingediende stukken zijn ingediend met inachtneming van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn van tien dagen. Het bij brief van 1 juni 2012 ingediende stuk is weliswaar niet ingediend voor aanvang van die termijn. Dit stuk betreft evenwel een (getuigen)verklaring die ook al op 23 mei 2012 was ingediend. Deze verklaring was toen niet ondertekend welk gebrek appellant bij brief van 1 juni 2012 heeft hersteld. Ten aanzien van dit stuk is geen sprake van een situatie dat de wederpartij in zijn processuele belangen is geschaad.

2. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

2.1. Appellant is sinds 1 oktober 1984 in dienst van de gemeente Zwolle, laatstelijk als consulent terugvordering en verhaal. Appellant heeft zich in september 1994 ziek gemeld in verband met hand- en armklachten, waarna hij in november 1994 zijn werkzaamheden gedeeltelijk, en in januari 1995 volledig heeft hervat. In mei 1995 is appellant wederom uitgevallen in verband met hand- en armklachten. Appellant is in oktober 1995 geopereerd aan de rechterpols vanwege een carpaal tunnel syndroom. In december 1995 was appellant weer volledig hersteld. Appellant is in juni 2000 andermaal uitgevallen in verband met arm-, hand- en polsklachten. Het college heeft appellant vervolgens laten re-integreren in aangepaste werkzaamheden met zo min mogelijk beeldschermwerk; het college heeft daarbij aan appellant een spraakcomputer ter beschikking gesteld. Op 12 oktober 2004 heeft appellant zich wederom ziek gemeld. Na een herbeoordeling heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beslist dat de (eerder toegekende) uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant is herleefd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Vanaf september 2007 had appellant (ook) klachten van een verhoogde oogboldruk. Na een hem overkomen auto-ongeluk heeft appellant zich in januari 2008 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Vanaf 9 februari 2008 ontving appellant een volledige WAO-uitkering.

2.2. Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het college met toepassing van artikel 7:3 van de Collectieve en lokale arbeidsvoorwaardenregeling (CAR/LAR) de bezoldiging van appellant met ingang van 1 juni 2008 met 10% gekort. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, stellende dat sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan appellant opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht.

2.3. Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college de bezoldiging van appellant met ingang van 1 december 2008 met 25% gekort. Appellant heeft tegen dit besluit - op identieke gronden - bezwaar gemaakt.

2.4. Het college heeft in de bezwaarfase een arbeidskundig onderzoek laten uitvoeren naar de werkplek en de werkomstandigheden van appellant in de loop der tijd. Het college heeft daarnaast een medisch onderzoek laten instellen naar de aard en de oorzaak van de klachten van appellant. Op 24 juni 2010 heeft W.A. Groote, senior expert personenschade/ arbeidsdeskundige, rapport uitgebracht. Op 26 augustus 2010 heeft E. Mattern, medisch adviseur, rapport aan het college uitgebracht.

2.5. Bij het bestreden besluit van 2 september 2010 heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard. Het college heeft zich bij zijn besluitvorming laten leiden door de rapporten van Groote en Mattern.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat gelet op de uitkomsten van het door de arbeidsdeskundige verrichte (werkplek)onderzoek en het medisch onderzoek geen sprake is geweest van uitzonderlijk werk of werkomstandigheden op basis waarvan naar een objectieve maatstaf aangenomen zou moeten worden dat de klachten van appellant in overwegende mate hun oorzaak vinden in de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Partijen zijn verdeeld over de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/LAR, in verbinding met artikel 7:3, zevende lid, van de CAR/LAR behoudt de ambtenaar recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst; dat wil zeggen bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht.

4.2. Appellant heeft in hoger beroep volhard in zijn stelling dat zijn arbeidsongeschiktheid in en door de dienst is ontstaan. Appellant meent dat zijn fysieke klachten - door appellant aangeduid als RSI (Repetitive Strain Injury) en/of CANS (Complaints of the Arm, Neck and/or Shoulder) - het directe gevolg zijn van intensief beeldschermwerk.

Het college heeft de stellingen van appellant - gemotiveerd - weerlegd.

4.3. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de aard van het werk en de werkomstandigheden in overwegende mate ten grondslag hebben gelegen aan de klachten van appellant. Ook de Raad heeft bij zijn oordeelsvorming doorslaggevende betekenis toegekend aan de rapporten van Groote en Mattern. Het college heeft met verwijzing naar deze rapporten overtuigend uiteengezet dat geen sprake is van een (direct) verband tussen de fysieke klachten van appellant en zijn werk(omstandigheden).

4.4.1. Zo blijkt uit de beschrijving van de werkzaamheden van appellant in het rapport van Groote van 24 juni 2010 dat geen sprake is geweest van bovenmatige belasting van polsen, armen, schouder of nek; evenmin is sprake geweest van bijzondere werkomstandigheden, zoals werkdruk (overuren), een rumoerige of onrustige werkplek, stress en dergelijke. Volgens Groote verrichtte appellant hooguit twee en een half tot drie uur beeldschermwerk per dag. De opgedragen werkzaamheden lieten daarnaast de nodige ruimte voor afwisseling met andere, niet computergebonden activiteiten. Groote heeft voorts benadrukt dat de werkzaamheden van appellant na juni 2000 zijn aangepast aan zijn fysieke beperkingen. Nadien is appellant niet of nauwelijks meer met beeldschermwerk belast. Appellant heeft daarenboven na januari 2000 veelvuldig en langdurig verzuimd wegens ziekte. Het ziekteverzuim is dermate groot geweest dat er in deze periode geen sprake kan zijn geweest van uit het werk voortkomende overbelasting, aldus Groote.

4.4.2. De Raad acht voor zijn oordeelsvorming voorts van belang dat de medisch adviseur Mattern erop heeft gewezen dat het door appellant gepresenteerde klachtenpatroon veelvuldig voorkomt zonder dat er sprake is van enigerlei belasting in het werk waarmee dit in verband zou kunnen worden gebracht. Mattern heeft daarbij beklemtoond dat de klachten die door appellant worden toegeschreven aan het werk niet zijn verdwenen in de loop der tijd, hoewel uit de beschikbare gegevens blijkt dat appellant niet, of geheel aangepast werkte, waarbij elke belasting werd vermeden. Sterker nog: de klachten van appellant zijn alleen maar toegenomen. Volgens Mattern is een dergelijk beloop - medisch - niet te verklaren vanuit de door appellant verrichte werkzaamheden, zoals beschreven door Groote. Mattern heeft in zijn aanvullende rapport van 8 augustus 2011 nader toegelicht dat de klachten van appellant multifactorieel van aard kunnen zijn; als mogelijke andere medische oorzaken voor de klachten heeft hij genoemd: (i) belasting in de priv├ęsituatie, (ii) de karakterstructuur van appellant, waarbij erop is gewezen dat appellant de neiging heeft psychische problemen te vertalen in lichamelijke klachten en (iii) het post whiplashsyndroom als gevolg van het aan appellant overkomen auto-ongeluk. Mattern is tot de slotsom gekomen dat er geen enkele aanwijzing is voor de conclusie dat de klachten van appellant werkgerelateerd zijn. De Raad heeft, evenals de rechtbank, geen aanleiding gevonden om de conclusies van Mattern in twijfel te trekken. Appellant heeft geen enkele medische verklaring ingebracht die aanleiding zou kunnen geven voor dergelijke twijfel. Ook de zich onder de gedingstukken bevindende brief van het Nederlands RSI Instituut van 8 februari 2001 is van onvoldoende gewicht om op basis daarvan een oorzakelijk verband aan te nemen. In deze brief wordt weliswaar gesproken over bij appellant bestaande RSI-klachten; uit deze brief blijkt echter niet van een onderbouwde diagnose, en evenmin van een onderbouwde directe relatie met de werkomstandigheden.

4.5. Alles bijeengenomen is ook naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk geworden dat de door appellant ondervonden klachten in overwegende mate in verband staan met de door hem verrichte werkzaamheden.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2012.

(getekend) J.G. Treffers

(getekend) J.M. Tason Avila

HD