Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
11-829 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben voldoende gemotiveerd waarom geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts stemt overeen met vaste rechtspraak van de Raad volgens welke een nieuwe diagnose van een reeds bekende aandoening geen novum vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/829 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 december 2010, 10/3539 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en namens haar heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat, de gronden van het hoger beroep ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van de Raad van 13 juli 2012. Partijen - het Uwv met bericht - zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster toen zij zich met ingang van 11 januari 2001 ziek meldde in verband met borstkanker. Zij hervatte haar werk op 1 november 2001. Haar dienstverband liep tot 1 november 2002. Appellante meldde zich met ingang van 31 december 2002 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek als gevolg van rug-, spier-, pees- en gewrichtsklachten.

1.2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanspraak op uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 6 oktober 2003 onderzocht door een verzekeringsarts. In een rapport van dezelfde datum stelde deze arts als diagnose “Chronische pijnklachten bewegingsapparaat bij status na mammacarcinoom. Op basis van een consistent en plausibel dagverhaal, waarbij sprake was van twee rustmomenten op de dag, achtte de verzekeringsarts ter preventie van toename van pijnklachten een urenbeperking tot 4 uur per dag aangewezen. Voorts diende arbeid fysiek licht te zijn en duidelijk een rug- en gewrichtssparend karakter te hebben. De verzekeringsarts legde deze bevindingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding een loonverlies van 52,03% vastgesteld. Hierna kende het Uwv bij besluit van 24 november 2003 aan appellante met ingang van 30 december 2003 een WAO-uitkering toe naar de klasse 45 tot 55%.

1.3. In de bezwaarprocedure concludeerde de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 5 maart 2004 dat met de pijn in het houdings- en bewegingsapparaat en met de ervaren vermoeidheid voldoende rekening was gehouden in de FML. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 23 maart 2004 het bezwaar tegen het besluit van 24 november 2003 ongegrond.

Tegen het besluit van 23 maart 2004 heeft appellante geen beroep ingesteld.

1.4. Een ziekmelding van appellante van 22 april 2004 wegens extreme vermoeidheid na bestraling leidde na medisch onderzoek, waarbij ook informatie van de klinisch psycholoog dr. J.B. Prins van 21 december 2004 werd meegewogen, bij besluit van 16 februari 2005 niet tot herziening van de WAO-uitkering van appellante met ingang van 20 mei 2004 met toepassing van artikel 39a van de WAO. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 17 mei 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen is ook geen beroep ingesteld.

2. Bij besluit van 25 maart 2010 kwam het Uwv niet terug van het besluit van 24 november 2003 omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden die er toe leiden dat laatst genoemd besluit onjuist zou zijn. Op 24 maart 2010 had de stafverzekeringsarts appellante naar aanleiding van haar verzoek om herziening al bericht dat de verzekeringsarts destijds bij haar beoordeling rekening had gehouden met de vermoeidheids- en de rugklachten en dat het al dan niet erkend zijn van het ziektebeeld chronische vermoeidheidssyndroom (CVS) bij de beoordeling geen rol heeft gespeeld.

3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts op 30 augustus 2010 - naar aanleiding van het standpunt van appellante op de hoorzitting dat de in 2005 vastgestelde diagnose CVS een nieuw medisch feit is - gesteld dat deze diagnose geen novum is omdat de vermoeidheidsklachten, onafhankelijk van de diagnosestelling, destijds al bij de beoordeling zijn betrokken. Hetzelfde geldt, volgens deze arts, voor de na 30 december 2003 zich geopenbaard hebbende fybromyalgie. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 31 augustus 2010 het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2010 ongegrond.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 31 augustus 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.2. De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende hebben gemotiveerd waarom geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens de rechtbank stemde het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts overeen met vaste rechtspraak van de Raad volgens welke een nieuwe diagnose van een reeds bekende aandoening geen novum vormt in de zin van artikel 4:6. De rechtbank wees in dit verband op de uitspraak van de Raad van 14 november 2007 (LJN BB8509).

5. In hoger beroep heeft appellante de in eerde fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Het komt er op neer dat appellante meent dat nader gestelde diagnoses wel degelijk zijn aan te merken als nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Volgens haar laat het tijdsverloop zien dat verdergaande beperkingen gesteld hadden dienen te worden voor haar vermoeidheids- en pijnklachten.

6.1. De Raad ziet geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit voor onjuist te houden. Met juistheid heeft de rechtbank in het licht van het - in overweging 3 samengevat weergegeven - medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts over het in geding zijnde verzoek gewezen op de betekenis daarvoor van de uitspraak van de Raad van 14 november 2007. De Raad wijst er overigens nog op dat in de brief van de klinisch psycholoog drs. H. Voskamp van 13 juli 2010, welke appellante in de bezwaarprocedure heeft ingebracht, is vermeld dat bij langdurige vermoeidheidsklachten, ontstaan tijdens of na de behandeling van kanker, niet wordt gesproken van CVS maar van Vermoeidheid na kanker.

6.2. Het hoger beroep slaagt, gelet op overweging 6.1, niet en de aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

EV