Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5777

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
11-3732 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Op basis van de beschikbare medische gegevens zijn er geen aanknopingspunten dat appellant op en na 3 juni 1991 arbeidsongeschikt is gebleven dan wel op en na 28 april 1992 vanuit een verzekerde situatie voor een onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Terecht heeft het Uwv dan ook geoordeeld dat geen wachttijd in de zin van de WAO is vervuld. Gelet hierop heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat er voor het Uwv geen aanleiding bestond voor het doen van een nader medisch onderzoek. Voor zover met de rechtbank moet worden geoordeeld dat appellant tevens heeft beoogd dat het Uwv zou terugkomen van een aantal eerder genomen besluiten, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoel in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3732 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2011, 10/3517 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] in Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2012.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1. Een rechtsvoorganger van het Uwv heeft appellant op 6 augustus 1991, naar aanleiding van zijn ziekmelding van 2 mei 1991 met ingang van 3 juni 1991 geen verdere uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend omdat hij niet ongeschikt werd geacht voor zijn toen verrichte werk. Appellant is voorts werkzaam geweest als fruitsorteerder van 12 september 1991 tot 28 april 1992. Bij besluit van 12 mei 1992 heeft die rechtsvoorganger aan appellant de mededeling van de verzekeringsgeneeskundige van 4 mei 1992 bevestigd dat appellant op en na 28 april 1992 niet arbeidsongeschikt is geweest en dat er derhalve geen bevoegdheid was hem vanaf die datum een ZW-uitkering te verstrekken. Op 15 juli 1992 is appellant naar Marokko geremigreerd.

2. Het Uwv heeft bij besluit van 1 december 2009 de aanvraag van appellant van 25 juni 2003 om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen omdat appellant vanaf 4 mei 1992 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Dit besluit was genomen op basis van een beoordeling van de aanvraag van appellant door de verzekeringsarts na een eerdere bezwaarprocedure, waarbij uiteindelijk op 12 november 2004 gegrond is verklaard het bezwaar van appellant tegen de weigering om zijn aanvraag in behandeling te nemen om reden van aanlevering van onvoldoende gegevens voor de beoordeling daarvan.

3. Het Uwv heeft bij besluit van 2 juli 2010 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 december 2009 ongegrond verklaard. In navolging van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 30 juni 2010 heeft het Uwv geoordeeld dat appellant vanaf 4 mei 1992 geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en subsidiair, voor zover hij beoogt dat wordt teruggekomen van de besluiten van 12 mei 1992, alsmede die van 29 oktober 2002 en 26 november 2002, welke inhielden dat appellant aan zijn ziektegeval in 1991 geen rechten op grond van de ZW of de WAO meer kon ontlenen, dat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 2 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.2. De rechtbank stelde - onder verwijzing naar het besluit van 12 mei 1992 en het verhandelde op haar zitting van 15 april 2011 - vast dat volgens het Uwv appellant wordt geacht vanaf 28 april 1992 geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt te zijn geweest. Voorts beoordeelde het Uwv volgens de rechtbank terecht dat de aanvraag van appellant niet alleen is beoordeeld vanaf de door appellant in zijn brief van 15 augustus 2003 vermelde datum van aanvang van arbeidsongeschiktheid op 3 juni 1991, maar ook als betreffende de periode vanaf 28 april 1992.

4.3. De rechtbank onderschreef de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat op geen enkele wijze aannemelijk is dat appellant vanaf 3 juni 1991 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest of na 28 april 1992 arbeidsongeschikt is geworden in Nederland en dat na 28 april 1992 geen sprake is geweest van een periode van 52 weken dat appellant onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

5. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Het komt er op neer dat appellant van mening is dat hij volledig arbeidsongeschikt was en dat het Uwv heeft verzuimd nader medisch onderzoek te verrichten.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. Op basis van de beschikbare medische gegevens zijn er geen aanknopingspunten dat appellant op en na 3 juni 1991 arbeidsongeschikt is gebleven dan wel op en na 28 april 1992 vanuit een verzekerde situatie voor een onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Terecht heeft het Uwv dan ook geoordeeld dat geen wachttijd in de zin van de WAO is vervuld. Gelet hierop heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat er voor het Uwv geen aanleiding bestond voor het doen van een nader medisch onderzoek.

6.2. Voor zover met de rechtbank moet worden geoordeeld dat appellant tevens heeft beoogd dat het Uwv zou terugkomen van de in overweging 3 subsidiair vermelde besluiten, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoel in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft aangevoerd.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

EV