Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5771

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
11-4962 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een nabestaandenuitkering. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er onvoldoende grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts van de Svb bevestigde medische beperkingen van appellante, zoals neergelegd in de FML. Met betrekking tot het door appellante overgelegde rapport dat in het kader van het re-integratietraject in de WWB is afgegeven, overweegt de Raad dat dit niet van (doorslaggevende) betekenis is voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ANW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4962 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 juli 2011, 08/3422 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 24 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van Deuzen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2012. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. De Svb was vertegenwoordigd door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is geboren [in] 1959. In verband met het overlijden van haar echtgenoot op 14 maart 2007 heeft zij bij de Svb een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij arbeidsongeschikt is en geen kinderen heeft die jonger zijn dan 18 jaar.

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Svb ClientFirst verzocht te onderzoeken of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW.

1.3. Bij besluit van 8 juni 2007 heeft de Svb de aanvraag van appellante om toekenning van een nabestaandenuitkering afgewezen, op de grond dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van deze uitkering.

1.4. Bij brief van 19 juni 2007 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juni 2007. Ter onderbouwing van haar bezwaar heeft zij een brief van haar huisarts van 29 mei 2007 bijgevoegd, waarin onder meer is vermeld dat appellante veel moeite heeft met het verwerken van de situatie die is ontstaan na het overlijden van haar echtgenoot en last heeft van lymfoedeem aan beide benen en voeten.

1.5. Op verzoek van de Svb heeft ClientFirst eind augustus 2007 aan de Svb de rapportages toegezonden, op grond waarvan de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante heeft plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat de verzekeringsarts M.V. Borkent appellante in mei 2007 heeft gezien. In zijn rapportage van 11 mei 2007 heeft Borkent als hoofddiagnose vastgesteld rouwverwerking en als relevante nevendiagnose lymfoedeem. Wegens haar psychische klachten heeft Borkent voor appellante beperkingen aangenomen ten aanzien van stress (tempo, verantwoordelijkheid, conflicten) en wegens haar beenklachten ten aanzien van zwaar tillen en dragen, duwen en trekken en lang staan. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 mei 2007. Vervolgens heeft appellante op 25 mei 2007 een gesprek gehad met de arbeidsdeskundige W.Th. Pompe, die een aantal passende functies heeft geselecteerd. Op basis van de mediaan van de drie hoogstverlonende functies, afgezet tegen het maatmaninkomen van appellante (het wettelijk minimumloon), heeft Pompe een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 45 berekend.

1.6. Bij besluit van 3 september 2007 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 juni 2007 ongegrond verklaard, onder overweging dat na herkeuring is vastgesteld dat zij op de peildatum 14 maart 2007 (naar verwachting) niet minstens gedurende drie maanden voor meer dan 45% arbeidsongeschikt geacht kon worden.

2.1. De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 17 juli 2008, 07/2800, het tegen het besluit van 3 september 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Svb opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante.

2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 3 september 2007 onzorgvuldig is voorbereid en tot stand gekomen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Svb de (bezwaar)verzekeringsarts ten onrechte niet heeft verzocht een reactie te geven op de in bezwaar aangevoerde grieven van appellante die betrekking hadden op het onderzoek door de verzekeringsarts.

3.1. De Svb heeft in de uitspraak van 17 juli 2008 berust en ClientFirst om een aanvullende reactie verzocht.

3.2. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts G. Durlinger een nader onderzoek ingesteld, bestaande uit bestudering van het dossier en de in de bezwaarfase ontvangen gegevens, waaronder een brief van de behandelend psycholoog van appellante van 17 augustus 2007. In zijn rapportage van 20 augustus 2008 merkt Durlinger op dat door de primaire verzekeringsarts informatie van de curatieve sector is opgevraagd en meegewogen en dat de tijdens de bezwaarfase ontvangen medische informatie geen nieuwe feiten toevoegt. Hij acht de beoordeling door de primaire verzekeringsarts voldoende zorgvuldig en de weergave van de beperkingen voldoende gedragen door alle aanwezige medische objectiveerbare gegevens.

3.3. Hierop heeft de Svb bij besluit van 10 oktober 2008 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 8 juni 2007 andermaal ongegrond verklaard.

4.1. De rechtbank Alkmaar heeft ter zitting van 26 januari 2010 het onderzoek geschorst en de zaak aangehouden om appellante in de gelegenheid te stellen informatie van de haar behandelend psychiater op te vragen die tevens ziet op de datum in geding en in te brengen in de procedure. In een brief aan de Svb van 23 juli 2010 heeft de rechtbank onder meer om een reactie van de bezwaarverzekeringsarts gevraagd op de eerder ingebrachte brief van de psycholoog R. de Graaff van 17 augustus 2007 en van de psychiater M.J. Kwakkelstein van 15 mei 2008 waarin is vermeld dat de psychische klachten van appellante zijn begonnen in januari 2007. Voorts heeft de rechtbank de Svb verzocht om de bezwaarverzekeringsarts contact met de behandelend arts(en) van appellante op te laten nemen.

4.2. De Svb heeft de namens appellante in bezwaar en beroep ingezonden medische stukken voor nader advies doorgestuurd naar Client-First. In een rapportage van 28 september 2010 heeft Durlinger vervolgens gemotiveerd aangegeven waarom naar zijn oordeel de beperkingen en mogelijkheden van appellante op een juiste wijze zijn weergegeven in de FML. Durlinger ziet ook na heroverweging in beroep geen reden af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts.

4.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.3.1. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 28 september 2010 heeft gesteld dat uit de informatie van De Graaff blijkt dat appellante sinds 3 augustus 2007 in behandeling is vanwege ernstige depressiviteit. Deze datum ligt bijna vijf maanden na de peildatum van 14 maart 2007. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat uit de informatie van de huisarts niet is gebleken dat appellante rond 14 maart 2007 voor psychische klachten reeds een medische hulpvraag bij de huisarts had neergelegd. Ook de informatie van Kwakkelstein, die aangeeft dat de psychische klachten van appellante zijn ontstaan in januari 2007, geeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding voor de conclusie dat appellante meer beperkt moet worden geacht aangezien de intake bij Kwakkelstein heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2007 en appellante eerst op 13 februari 2008 is gezien voor een psychiatrisch consult. De informatie van de psychiater Oomen van 5 augustus 2010 sluit volgens de bezwaarverzekeringsarts aan bij de conclusies van de primaire verzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank is met de psychische klachten van appellante voldoende rekening gehouden door in de FML diverse beperkingen aan te nemen in de rubrieken psychisch en sociaal functioneren en zijn in bezwaar en beroep geen concrete medische argumenten aangevoerd of medische stukken overgelegd die moeten leiden tot de conclusie dat de (bezwaar)verzekeringsarts de beperkingen van appellante heeft onderschat. Uit de - in beroep - overgelegde informatie van de GGZ van 18 februari 2010 en I-Psy Noord Holland Noord van 5 augustus 2010 kan niet worden afgeleid dat de verzekeringsarts te weinig beperkingen in de FML heeft aangenomen. Ook uit de door appellante ingebrachte verklaring van GGZ Divers van 9 december 2010 is de rechtbank niet gebleken dat appellante meer beperkt is dan door de Svb is aangenomen, temeer omdat de behandelaar in die verklaring heeft aangegeven dat appellante sinds 2009 patiënte bij hem is en hij geen uitspraken kan doen over haar klachten in 2007. Verder heeft de rechtbank uit de in het dossier aanwezige informatie van de huisarts van appellante niet kunnen afleiden dat sprake is van ernstige psychische klachten nu de huisarts geen enkele melding heeft gemaakt van psychische klachten. De enkele opmerking van de huisarts dat appellante veel moeite heeft met het verwerken van het overlijden van haar echtgenoot kan niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

4.3.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige W.Th. Pompe in de rapportage van 25 mei 2007 voldoende gemotiveerd heeft dat de uiteindelijk geselecteerde functies machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122), textielproductenmaker (sbc-code 111160), electronicamonteur (sbc-code 267040) en productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) geschikt zijn voor appellante en dat de belastbaarheid van appellante in deze functies niet wordt overschreden.4.3.3. In verband met het vermoeden dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek te heropenen op grond van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en naast de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt in die procedure.

5. In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat zij vanwege psychische klachten die reeds bestonden voor het overlijden van haar echtgenoot, niet in staat is arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van haar betoog heeft zij verwezen naar de medische keuring die in 2012 is verricht in het kader van de Wet Werk en Bijstand (WWB) en waarbij zij volledig arbeidsongeschikt is geacht. Voorts heeft zij verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten alsmede haar in aanmerking te brengen voor vergoeding van de door haar geleden schade.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. In dit geding gaat het om beantwoording van de vraag of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak met recht heeft geoordeeld dat de bij het bestreden besluit wederom gehandhaafde weigering van de Svb om aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen, in rechte stand kan houden.

6.2. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

Artikel 11 van de ANW luidt:

“1.Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt volgens het tweede lid onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

6.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, LJN BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de inmiddels ingetrokken Algemene arbeidsongeschiktheidswet (kortweg: de arbeidsongeschiktheidswetten) en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. In zijn beleidsregel Arbeidsongeschiktheid, SB 1018, heeft de Svb in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ANW wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

6.4.1. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er onvoldoende grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts van de Svb bevestigde medische beperkingen van appellante, zoals neergelegd in de door Borkent opgestelde FML van 11 mei 2007. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank ter zake, zoals weergegeven in 4.3.1 en acht daarbij van belang dat met de nader in beroep ingezonden medische gegevens een voldoende compleet beeld van de medische situatie van appellante voorhanden was om tot een oordeel over de belastbaarheid van appellante ten tijde in geding te kunnen komen.

6.4.2. Met betrekking tot het door appellante overgelegde rapport dat in het kader van het re-integratietraject in de WWB is afgegeven, overweegt de Raad dat dit niet van (doorslaggevende) betekenis is voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ANW. Het medisch toetsingskader van de WWB is immers een geheel andere dan dat van de arbeidsongeschiktheidswetten zoals genoemd in 6.3. Uit de enkele omstandigheid dat appellante op 4 mei 2012 is vrijgesteld van de sollicitatieplicht in het kader van de WWB kan ook niet worden afgeleid dat er op de datum in geding en de periode van drie maanden daarna geen sprake was van duurzaam benutbare mogelijkheden. Bovendien ziet het overgelegde stuk niet specifiek op de gezondheidssituatie van appellante per de datum in geding.

6.5. Ook met betrekking tot de passendheid van de functies, waarover appellante overigens geen afzonderlijke grieven naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen aanknopingspunten om het oordeel van de rechtbank niet te volgen.

7. Het onder 6.1 tot en met 6.5 overwogene leidt tot het oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient dan ook te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

9. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen nu dit verzoek niet nader is gespecificeerd en op geen enkele manier is onderbouwd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

EV