Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5758

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
11-667 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/667 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2010, 10/3187 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2012.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 17 juni 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat appellant bij aanvang van de aangegeven arbeidsongeschiktheid op 31 december 1998 niet verzekerd was ingevolge de WAO. Het Uwv heeft het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 29 oktober 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 31 augustus 2005 ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bij zijn uitspraak van 16 mei 2007, LJN BA6379, bevestigd.

2. Bij brief van 8 februari 2010 heeft appellant opnieuw een WAO uitkering aangevraagd. Bij besluit van 24 februari 2010 heeft het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van zijn besluit van 17 juni 2004 afgewezen. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft vermeld die tot de conclusie leiden dat het besluit van 17 juni 2004 onjuist zou zijn. Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 24 februari 2010 ongegrond verklaard, zij het dat de aanvraag werd beschouwd het besluit van 29 oktober 2004 te betreffen.

3. Bij de aangevallen mondelinge uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 16 juni 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, vaststellende dat appellant een herhaalde aanvraag voor een WAO-uitkering heeft ingediend zonder daarbij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren, verwezen naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde grieven herhaald. Appellant heeft aangevoerd dat hij Nederland heeft verlaten omdat hij erg ziek was en geen inkomsten of uitkeringen had om de medische behandeling in Nederland te volgen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Het besluit van 29 oktober 2004, waarbij de in overweging 1 vermelde weigering van arbeidsongeschiktheidsuitkering is gehandhaafd, is in rechte onaantastbaar geworden met de uitspraak van de Raad van 16 mei 2007. De Raad heeft in deze uitspraak overwogen dat het Uwv terecht de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 31 december 1998 heeft bepaald en dat appellant op die dag niet verzekerd was ingevolge de WAO, omdat hij sinds april 1998 in Marokko woonachtig was.

5.2. In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

5.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen ter zake is overwogen in de aangevallen uitspraak.

5.4. De Raad heeft uit hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht niet kunnen afleiden dat het Uwv, gezien de omstandigheden van dit geval, van de in artikel 4:6 van de Awb opgenomen bevoegdheid om onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking de aanvraag af te wijzen bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik had mogen maken.

5.5. Het hoger beroep treft derhalve geen doel en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

EV