Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5757

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
11-3391 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3391 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 april 2011, 10/3799 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2012.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 maart 1990 is de eventueel bestaande arbeidsongeschiktheid van appellant op en na 1 december 1989 geheel buiten aanmerking gelaten, omdat appellant niet reageerde op oproepen om naar Nederland te komen voor medisch onderzoek. Naar aanleiding van een verzoek om herziening heeft het Uwv bij besluit van 11 september 2003 aan appellant meegedeeld dat uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt geweigerd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. Dit besluit staat in rechte vast.

1.2. Op 18 juni 2007 heeft appellant opnieuw verzocht een besluit te nemen omtrent zijn aanspraken op een uitkering ingevolge de WAO, omdat de klachten waarvoor hij eerder is uitgevallen zijn verergerd. Bij besluit van 25 juli 2007 is aan appellant meegedeeld dat niet wordt teruggekomen op het besluit van 11 september 2003. Het tegen het besluit van 25 juli 2007 gemaakte bezwaar is bij besluit op bezwaar van 11 februari 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 19 januari 2009, 08/1140, ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bij zijn uitspraak van 10 oktober 2009 LJN BK0749 bevestigd.

1.3. Bij brief van 17 december 2009, ontvangen op 6 januari 2010, heeft appellant opnieuw herziening van zijn WAO-uitkering verzocht. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het Uwv geweigerd terug te komen op de beslissing van 11 september 2003. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 11 september 2003 geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft vermeld die tot de conclusie leiden dat het genomen besluit onjuist zou zijn.

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 6 juli 2010, het besluit van 19 januari 2010 gewijzigd in die zin dat het Uwv niet terug komt op de beslissing van 11 februari 2008, en het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen mondelinge uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 13 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij verwezen naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde grieven herhaald.

4.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep overweegt de Raad ambtshalve het volgende. De uitspraak van de rechtbank is verzonden op 18 april 2011, waarmee de termijn voor het instellen van hoger beroep op 19 april 2011 is gaan lopen en op 30 mei 2011 is geëindigd. Het hoger beroepschrift is op 9 juni 2011 door de Raad ontvangen. Blijkens de poststempel op de envelop is het hoger beroepschrift reeds op 5 mei 2011 aangetekend per post verzonden, derhalve ruimschoots binnen de gestelde beroepstermijn van zes weken. Op grond hiervan blijft - in lijn met zijn uitspraak van 31 mei 2007 (LJN BA6714) - een niet-ontvankelijkverklaring achterwege.

4.2. De Raad heeft in zijn uitspraak van 10 oktober 2009 als vaststaand aangenomen dat appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt werd beschouwd per 1 december 1989, terwijl voorts geen sprake is van een toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vier weken na deze datum, zodat appellant vanaf 1 december 1989 niet meer verzekerd was voor de WAO. In die uitspraak is voorts overwogen dat het besluit van 11 september 2003, waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant is geweigerd, in rechte vast staat.

Het besluit van 11 februari 2008 berust op dezelfde grond als waarop hem bij de beslissing van 11 september 2003 een WAO-uitkering is geweigerd, namelijk dat hij sinds 1 december 1989 niet langer verzekerd is.

4.3. In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.4. Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag van 17 december 2009 heeft appellant diverse medische verklaringen en medicatievoorschriften overgelegd. In de rapportage van 6 juli 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat in alle verklaringen en medicijn voorschriften wordt gewezen op de rugklachten en de psychische klachten. Ook de medicatie wijst hierop. De medicatie wisselt van naam, maar het blijft gaan om antidepressiva en slaapmiddelen. Al deze gegevens laten geen wezenlijk andere feiten zien dan al reeds jaren bekend is. De ingebrachte medische feiten leiden niet tot een ander ziektebeeld dan in 1989 als bekend kan worden gevolgd.

4.5. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen ter zake is overwogen in de aangevallen uitspraak en in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 6 juli 2010. Uit hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet kunnen afleiden dat het Uwv van de in artikel 4:6 van de Awb opgenomen bevoegdheid om onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, ongeacht of het nu gaat om die van 11 september 2003 of 11 februari 2008, de aanvraag af te wijzen, in redelijkheid geen gebruik had mogen maken.

4.6. Het hoger beroep treft derhalve geen doel en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

EV