Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2012
Datum publicatie
24-08-2012
Zaaknummer
11/7032 WUV + 11/7033 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als vervolgde en burger-oorlogsslachtoffer en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenningen op grond van de Wuv en/of de Wubo. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens is niet gebleken dat betrokkene vervolging heeft ondergaan. Evenmin had verweerder aanleiding moeten zien om betrokkene met de vervolgde gelijk te stellen. Op grond van de voorhanden gegevens is niet gebleken dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7032 WUV, 11/7033 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

de erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [plaatsnaam], Indonesië (appellanten)

de Raadskamers WUV en WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 23 augustus 2012

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet in de plaats getreden van de Raadskamers WUV en WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV onderscheidenlijk Raadskamer WUBO van de PUR.

Namens appellanten is beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 9 september 2011, met kenmerk BZ01267920 (hierna: bestreden besluit I) respectievelijk met kenmerk BZ01371693 (hierna: bestreden besluit II). Bestreden besluit I betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en bestreden besluit II betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2012. Daar is namens appellanten verschenen G.L. Lopulisa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In februari 2010 heeft [betrokkene] (hierna: betrokkene), die is geboren in 1930 in het toenmalige Nederlands-Indië en is overleden op 29 augustus 2010, een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde en burger-oorlogsslachtoffer en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenningen op grond van de Wuv en/of de Wubo.

1.2. Bij besluit van 25 augustus 2010, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit I, heeft verweerder de aanvraag op grond van de Wuv afgewezen. Verweerder heeft overwogen dat betrokkene geen vervolging heeft ondergaan en dat de oorlogsomstandigheden geen aanleiding geven te onderzoeken of betrokkene met de vervolgde gelijkgesteld kan worden.

1.3. Bij besluit van eveneens 25 augustus 2010, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit II, heeft verweerder de aanvraag op grond van de Wubo afgewezen. Daarbij is overwogen dat niet is gebleken dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.

2. De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van de Wuv

2.1.1. Op grond van artikel 2 van de Wuv wordt, samengevat en voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

2.1.2. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens is niet gebleken dat betrokkene vervolging heeft ondergaan. In het sociaal rapport heeft hij aangegeven niet geïnterneerd te zijn geweest. Wel heeft hij verklaard dat zijn ouders op de rubberplantage moesten blijven werken en dat ook hij de plantage niet mocht verlaten. Dit verblijf kan niet worden aangemerkt als vrijheidsberoving in de hiervoor bedoelde zin omdat daar geen permanente bewaking plaatsvond. Dat men op de rubberplantage gehouden was een vastgestelde norm te behalen en dat het niet halen van de norm mogelijk zou leiden tot (fysieke) maatregelen van de Japanners, is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen.

2.1.3. Evenmin had verweerder aanleiding moeten zien om betrokkene met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen. Niet is naar voren gekomen dat betrokkene heeft verkeerd in met vervolging vergelijkbare omstandigheden. Hiertoe kan niet worden gerekend - hoe verdrietig ook - dat de broer van betrokkene als jeugdig militair tijdens de oorlog is gesneuveld.

Ten aanzien van de Wubo

2.2.1. In artikel 2, eerste lid, van de Wubo is omschreven wie onder burger-oorlogsslachtoffer wordt verstaan. Tot deze groep behoren onder meer degenen die als burger tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen ten gevolge van met krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht, dan wel lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalig Nederlands-Indië die naar aard en gevolgen vergelijkbaar zijn met vorenbedoelde omstandigheden.

2.2.2. Op grond van de voorhanden gegevens is ook de Raad niet gebleken dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Voor zover bekend, was de situatie op de rubberplantage niet van dien aard dat kon worden gesproken van tegen betrokkene gerichte handelingen of maatregelen in de hiervóór bedoelde zin. Ook anderszins is niet gebleken van onder de Wubo vallend oorlogsgeweld. Namens appellanten is nog wel aangegeven dat betrokkene en het gezin tijdens de Japanse bezetting regelmatig werden beschoten door vliegtuigen van de Amerikaanse luchtmacht. Concrete gegevens die deze gebeurtenissen kunnen bevestigen zijn echter niet naar voren gekomen. Aangezien betrokkene zelf in het sociaal rapport dergelijke gebeurtenissen niet heeft genoemd, acht de Raad een nader onderzoek naar die gebeurtenissen niet noodzakelijk.

2.3. De Raad merkt nog op dat, anders dan appellanten blijkbaar voor ogen hebben, de Wuv en de Wubo niet zonder meer de mogelijkheid bieden een schadevergoeding dan wel genoegdoening toe te kennen voor het leed dat betrokkene en zijn familie tijdens de oorlogsjaren hebben doorgemaakt. Binnen de strikte regels van beide wetten kan alleen de persoon die is erkend als vervolgde in de zin van de Wuv en/of als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo aan deze wetten financiële aanspraken ontlenen. Zoals hiervoor aangegeven, kan betrokkene niet op grond van een van deze wetten worden erkend.

2.4. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden besluiten in rechte stand houden. De beroepen van appellanten moeten dan ook ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2012.

(getekend) R. Kooper

(getekend) M.C. Nijholt

HD